A white man's grave

Joost Conijn doet verslag van zijn tocht in een zelfgebouwd vliegtuigje naar Oost-Afrika. „De primaire jacht op eten, benzine en een slaapplek is voorlopig gestreden.”

Joost Conijn vliegt naar Oost-Afrika

‘Schichtig muizen de auto’s vanaf de landingsbaan de struiken in. We hopen maar dat we niet op een auto landen. Een blaffende hond rent mee wanneer we uitrollen. Diepzwarte mensen gehuld in een oud T-shirt of omgeslagen doek en met een stok in de hand bekijken ons vanuit het struikgewas.

De kust van de Atlantische Oceaan hebben we verlaten en we vliegen oostwaarts. We zijn geland in Kayes, een kleine stad aan de rivier de Senegal in het zuiden van Mauretanië. Bij vertrek uit Nouackshott, de hoofdstad, is ons verteld dat hier al dertig jaar geen vliegtuig meer geland is.

We taxiën naar het kleine platform. De militairen proberen de legerjeep te starten die in de schaduw onder de boom staat. Een zwartgrijze rookwolk ontsnapt uit de koude motor. De mannen springen achterop de zandkleurige jeep en rijden het platform op, knopen het zeil los waarmee het kanon is afgedekt en richten de loop op ons. Een hoge militair loopt op ons vliegtuig af, wij openen de cockpit. „Paspoorten!” zegt hij streng. Henno interpreteert het zo dat ze op deze manier aan ons blanken willen tonen dat ze hun werk serieus nemen. Dat de protocollen worden nagevolgd, net als in het Westen. De militair verdwijnt met onze documenten. Een ander knipoogt. „Het is allemaal niet belangrijk, indrukmakerij, alles is in orde”, fluistert hij ons toe. „Jullie zijn welkom.” Wanneer de stempels gezet zijn, wordt het kanon weer met het zeiltje toegedekt en in de schaduw onder de boom geparkeerd. De soldaten ontdoen zich van hun uniformhemden en leggen hun geweren af. Ze gaan liggen op stretchers voor de kazernehut. We steken ze wat geld toe, ze zullen op ons vliegtuig passen. In een oude Mercedes rijden we samen met de knipoogsoldaat het stadje in. Mauretanië is een fijn land. Toerisme kennen ze niet, het zijn aardige gastheren zonder bijbedoelingen.

Mali is groen en uitgestrekt. We volgen met ons vliegtuig de rivier met zijn rotsige oevers. Hij slingert door een laag gebergte. Af en toe een cirkelvormig dorpje met een tiental ronde hutjes. Een man met een geit, stipjes beneden, verstoken van de wereld. Zilveren gordijnen hangen links en rechts uit de grijze wolken. We vliegen van regenboog naar regenboog.

Een smalle rode strook aarde is onze landingsbaan wanneer hooggestapelde zwarte wolken onze wereld te klein maken om door te vliegen. Kinderen kijken en voelen aan het vliegtuig. Ze helpen met stenen zoeken om voor de wielen te leggen.

Jans nummer krijg ik van mijn moeder. Ze studeerde samen met hem medicijnen en vertelt erbij dat hij in ’74 olympisch kampioen roeien werd, naar Afrika vertrok, daar met een zwarte vrouw trouwde en nooit meer terugkwam. Ik bel Jan in Burkina Faso. „Jullie kunnen komen”, zegt hij. „Houd het weer goed in de gaten, we zitten midden in het regenseizoen.”

In Ouagadougou wacht hij ons op. Jan heeft een snor, is groot en op leeftijd, hij gaat amodieus gekleed: een mooie, hoogopgetrokken broek onder een geruit overhemd met korte mouwen. Hij werkt op de ambassade. Henno heeft geen kracht meer. Terwijl hij erin blijft zitten, duw ik het vliegtuig in de schaduw van de aeroclub. De hangar staat vol met oude onttakelde vliegtuigjes. Al zijn spieren doen pijn. Ik krijg ook hoofdpijn. Jan draagt onze tassen met grote stappen door de hitte, wij volgen met halve snelheid.

In zijn airconditioned auto met CD-kenteken rijden we naar het huis in de diplomatenwijk. Wanneer hij toetert, doet de bewaker het hek voor ons open en parkeren we naast een klein zwembad in een weelderige tuin die veel schaduw geeft. De poort valt achter ons in het slot en de bewaker brengt onze bagage naar de logeerkamer: de primaire jacht op eten, benzine en een slaapplek is voorlopig gestreden. De botervloot uit mijn jeugd staat op tafel, ik ben thuis.

Henno heeft moeite met ademhalen. Hij kan nog maar moeilijk bewegen en het duizelt in zijn hoofd. Anastasia brengt ons naar privékliniek Philidelphi. Een jonge dokter tapt bloed af. Een paar uur later pikt Kreko de cook de uitslag op. ‘Je hebt malaria, a white man’s grave’, zegt Anastasia. Ze heeft een oud Chinees medicijn voor Henno, gemaakt uit de schors van de kinineboom.

Jan is ook piloot en hij stelt voor te gaan vliegen. Zijn vliegtuig staat al een maand aan de grond en dat is niet goed in dit vochtige klimaat. „Toen ik hier kwam,” vertelt hij, „stond alleen mijn vliegtuig hier binnen, ik betaalde aan niemand huur want het was onbekend wie de eigenaar van de hangar was.” De een na de ander claimt nu de plek. Jans vliegtuig staat met zijn neus binnen en de staart buiten. We stappen in en ik vis de natte gordels achter de stoel vandaan.

Jans vliegtuigje is veertig jaar oud, de plastic delen hebben geleden. Met een lichte hoofdpijn kijk ik verdwaasd en moe hoe we vanuit het centrum opstijgen. Dit keer hoef ik niet op de metertjes of op noodlandingsveldjes te letten. Zorgeloos kijk ik naar de spiegelende stad onder ons.

Je reist weg van je huis. Reizen is een berg beklimmen. Je klautert en je kijkt op tegen de helling, je weet niet hoe het daarboven is. Op de top aangekomen kijk je over de rand het dal in, je daalt af en reist weer naar je huis toe. Misschien was ik vandaag op de top.