Stijging grondstoffenprijzen duidt op verder herstel

De economen van de wereld zijn het er niet over eens: wordt het deflatie of inflatie? De stijgende grondstoffenprijzen bieden een geruststellend antwoord. Ze maken duidelijk dat er voldoende vraag is.

Tarwe is de grondstof die de meeste aandacht trekt. Onder invloed van de droogte in Rusland is de prijs binnen ruim een maand met de helft gestegen naar het hoogste punt sinds 22 maanden. Die enorme stijging lijkt overdreven. Ondanks de problemen van Rusland staan de wereldvoorraden tarwe niet op een laag peil.

De prijsstijging van tarwe maakt echter deel uit van een bredere, belangrijke trend. De grondstoffenprijzenindex van de Reserve Bank of Australia (RBA) is in juli gestegen naar het op één na hoogste punt ooit, slechts een paar procentpunten onder zijn hoogtepunt van september 2008. De bloei van de grondstoffenprijzen, die dramatisch wegviel toen de wereldeconomie stagneerde, is bijna helemaal terug.

De oorzaak van de prijsstijgingen is niet moeilijk te vinden. China, binnenkort de op één na grootste economie ter wereld, groeit met dubbele cijfers en India, het op één na meest volkrijke land, groeit bijna net zo snel. De wereldgrondstoffenprijzen vormen de weerspiegeling van een opnieuw expanderende wereldeconomie - en van de bloei in Azië.

Die realiteit druist in tegen de huidige stemming in de Verenigde Staten. Nu de inflatie op slechts 1,1 procent staat, zijn er veel zorgen over een W-vormige recessie (‘double dip’) en deflatie. Er doen geruchten de ronde dat de Federal Reserve opnieuw zijn toevlucht zou kunnen nemen tot het bijdrukken van geld. De stijging van de grondstoffenprijzen duidt erop dat dit onnodig is. De recessie- en deflatieangst zijn waarschijnlijk overdreven.

De stijgende grondstoffenprijzen zijn een aanwijzing voor groei en zullen tot op zekere hoogte helpen die te stimuleren. Voor Australië en andere grondstoffenproducenten als Canada, Rusland en Brazilië is het nieuws bijna ondubbelzinnig goed. Omdat de exportinkomsten en de belastingopbrengsten stijgen, zullen de particuliere investeringen en bestedingen ook toenemen.

Maar duurdere tarwe betekent ook duurder brood. Dat is slecht voor westerse consumenten, die last hebben van dalende huizenprijzen en hoge werkloosheid. Maar het is tegelijkertijd goed voor de westerse economieën die bang zijn voor deflatie. Als de grondstoffenprijzen de inflatie enigszins opstuwen, blijft de ultralage rente in reële termen laag, wat bijdraagt aan het herstel.

De inflatiestijging kan uiteraard ook te ver gaan. Maar dat is een bekender en makkelijker probleem om op te lossen dan de werkelijke narigheden: deflatie en een ‘double dip.’

Ian Campbell