Scheefhangen

Toen de Princess May bij Alaska op een rots liep, begon een onzekere tijd van scheefhangen. Rascha Peper over een schip boven zee.

Een eeuw geleden, om precies te zijn op 5 augustus 1910, liep voor de kust van Alaska een schip op de rotsen. Het was de Princess May met 80 passagiers en 68 bemanningsleden aan boord.

De meeste opvarenden werden met de reddingssloep naar een piepklein vuurtoreneilandje in de buurt gebracht, evenals, vermoedelijk, een lading goud die het schip vervoerde. De kapitein en de noodzakelijke bemanning bleven, zoals het betaamt, op het schip achter. Een maandlang heeft de Princess May daar op de rotsen gelegen als een piekende ijsschots van staal en hout, door vrijwel iedereen als verloren beschouwd. Toen steeg het water en gebeurde er een wonder: het schip raakte door het wassende tij vlot en kon, na een reparatie aan de scheepswand, gewoon zijn weg vervolgen. Het is nog tot 1919 in de vaart gebleven.

Al jaren ben ik van plan een roman of verhaal op dit schip te situeren; het is er alleen nog niet van gekomen. Geen verhaal over de passagiers die het een maandlang moeten zien te rooien op dat slecht geoutilleerde pesteilandje – voor zover ze daar niet vertrokken zijn – of over de verwikkelingen rondom het goud (hoewel daar een mooie thriller inzit), maar over de kapitein die meer dan dertig dagen op een scheefhangend schip heeft moeten vertoeven.

Dat lijkt me een vreselijke kwelling. Voortdurend hellingen opklimmen en afschuifelen, niet normaal op een stoel aan tafel kunnen zitten, geen bord kunnen neerzetten, scheef in je kooi liggen met je hoofd aan het voeteneind of kiezen tussen tegen de wand rollen en uit bed vallen. Het brein accepteert scheefstand niet en tegen de tijd dat het eraan gewend is, ben je al aan het malen. Ik herinner me een interview met een van de gegijzelden van de treinkaping bij Wijster of De Punt (welke van de twee is me ontschoten), die vertelde dat de mensen behalve van de angst, de onzekerheid en het gebrek aan hygiëne ook gek werden van het feit dat de trein niet recht op het baanvak stond. Iedereen zat steeds scheef en vocht met rugpijn.

Zelf ben ik altijd direct bang voor uitglijden op steile of zelfs maar flauwe hellingen, schuin aflopende stoepen of glimmende tegelvloeren die opeens blijken te dalen, zoals je op stations vaak meemaakt. Ook kan ik er niet tegen als een bureau of een tafel niet waterpas staat en ben ik altijd met bierviltjes en opgevouwen servetjes bezig tuin- of cafémeubilair te stellen, boeken voor vallen van verzakte boekenplanken te behoeden en kauwgom te plakken achter schilderijen die niet recht willen hangen. En niets zo irritant als een tekst die scheef geprint op papier komt te staan. Het scheve design dat tegenwoordig in de mode is, zigzagtafeltjes, wandplanken waarop boeken schuin staan: bloednerveus word je ervan.

Arme kapitein van de Princess May, die niet alleen zijn schip verspeeld dacht te hebben, zijn passagiers onbeschermd en zijn goud in gevaar wist, maar ook nog eens telkens die spookachtig verlaten hellingbaan op en af moest. Zijn trotse oceaankasteel verworden tot lachwekkend reuzenspeelgoed. Kon hij zijn machines en instrumenten nog gebruiken? Was er nog water aan boord waarmee hij af en toe zijn scheefhangende badkuip een beetje kon vullen? Of werkten de waterpompen in deze positie niet en vervuilde hij noodgedwongen? Hoe vaak liet hij op het voordek de vulpen vallen waarmee hij gezagsgetrouw het logboek bijhield? Of zijn verrekijker, of zijn pet? En liep de tweede stuurman dan iedere keer struikelend een eindweegs naar het achterdek om het gevallene te pakken? Was er ook een matroos aan boord die ondanks alles het dek moest blijven schrobben? Of een vrolijke koksmaat die, als de kapitein het niet zag, op een glad matje van boven naar beneden gleed?

Wat een opluchting moet het geweest zijn toen die genadige, verlossende vloed kwam opzetten, die het schip optilde tot het weer deinde. Een veel te gelukkige afloop voor een roman, dat dan weer wel.