Huizinga als sportcommentator

Huizinga is waarschijnlijk de historicus die ik, in de loop der jaren, het vaakst geciteerd heb. In mijn vorige artikel heb ik hem zelfs „Nederlands grootste historicus” genoemd. En dat terwijl hij niet eens mijn favoriete historicus is! Zijn stijl, die mooi is, vind ik wel erg gedragen, gebeeldhouwd; zijn geest wel enigszins boven de wateren zwevend.

Wat dat betreft heeft Geyl, zijn veertien jaar jongere tijdgenoot en veel meer een polemisch karakter, mijn voorkeur. Zijn taal is lenig en bijna parlando. Hij staat met zijn poten in de modder, ook in zijn persoonlijke leven, zoals we in zijn vorig jaar verschenen autobiografie hebben kunnen lezen. Maar ik erken: de wijze Universalgeist Huizinga, bij leven al een monument, is groter.

Maar was Huizinga eigenlijk wel een historicus? Hij had germanistiek, met een voorkeur voor vergelijkende taalwetenschap, gestudeerd en was onder de sanskritist Speyer gepromoveerd op het vroeg-Indische toneel. Als hij historicus was, was hij meer cultuur- of kunsthistoricus, zoals zijn grote voorganger de Zwitser Jacob Burckhardt, die vijftig jaar vóór dato de komst van de furchtbaren Simplicateurs voorzag, die aan de macht waren toen Huizinga zijn In de schaduwen van morgen schreef.

Tekenend is wat zijn zoon Leonhard in zijn Herinneringen aan mijn vader schreef: op bezoek bij zijn vader in zijn „hooggelegen huis” De Steeg, waar de Duitsers hem naar verbannen hadden, sloegen zij een nachtelijk bombardement op het Roergebied gade: „een verre gloed van grote branden... Het schouwspel was van een afschuwelijke schoonheid.” Huizinga’s enige reactie: „Walgelijk...” Hier sprak de toeschouwer, die een cultuur ten onder zag gaan – en voor Huizinga was dat niet alleen de Duitse, die voor hem trouwens al verloren was gegaan.

Aan Huizinga valt dus niet te ontkomen. Twee weken geleden schreef ik hier over de voetbalgekte die Nederland, en niet alleen Nederland, in haar greep had gehad zolang het WK in Zuid-Afrika duurde. Verscheidene lezers schreven mij: u had Huizinga erbij kunnen halen, die erover in zijn Homo Ludens (de spelende mens) schreef.

Inderdaad, ik had het kunnen, ja moeten doen. Alleen: ik ben niet op het idee gekomen, en bovendien: als ik wél op het idee gekomen zou zijn, zou ik de mij toegemeten ruimte hebben overschreden, en dat mag niet. Maar in zijn genoemde boek, waarvan de ondertitel Proeve eener bepaling van het spel-element in de cultuur luidt, schreef hij er in 1938 over.

Trouwens al eerder, in zijn In de schaduwen van morgen (een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd), waarvan de eerste druk in 1935 verscheen, preludeerde hij al op dit thema. In het hoofdstuk ‘Puerilisme’ zegt hij er dit over:

„Het meest essentiële kenmerk van alle echt spel – hetzij cultus, vertoning, veldkamp, feest – is dat het op een gegeven ogenblik uit is. De toeschouwers gaan naar huis, de spelers doen hun masker af, de voorstelling is afgelopen.”

Maar „het euvel van deze tijd” is dat het spel „in veel gevallen nooit uit is, derhalve geen echt spel is. Er heeft een vergaande contaminatie van spel en ernst plaatsgegrepen. De beide sferen raken vermengd. (...) Het erkende spel kan door zijn overmatige technische organisatie en doordat men het te ernstig opvat zijn onvervalst spelkarakter niet meer handhaven. Het verliest de onmisbare kwaliteiten van onttrokkenheid, onbevangenheid en blijheid.”

En, drie jaar later, in Homo Ludens: „De sport heeft als gemeenschapsfunctie haar betekenis in de samenleving steeds meer uitgebreid en steeds meer terreinen binnen haar domein getrokken.” Er is sprake van een „overgang van occasioneel vermaak op vast georganiseerd club- en wedstrijdwezen”, en „met de steeds toenemende systematisering en disciplinering van het spel gaat op den duur iets van het zuivere spelgehalte verloren”.

En dan is er „de scheiding tussen professionals en amateurs”. De houding van de professionals is niet meer die van het spel, het spontane en zorgeloze gaat van hem niet meer op. Gaandeweg verwijdert zich in de moderne maatschappij de sport uit de zuivere spelsfeer, en wordt een element sui generis, niet meer spel en toch geen ernst.”

„De volmaaktheid waarmee de moderne sociale techniek het uiterlijk effect van massademonstraties weet te verhogen, verandert niets aan het feit dat noch de Olympiades (...) noch de luid gepropageerde landenwedstrijden de sport tot een stijl- en cultuurscheppende activiteit kunnen verheffen. Zij blijft, hoe belangrijk ook voor deelnemers en toeschouwers, een steriele functie, waarin de oude spelfactor grotendeels is afgestorven.

„Deze opvatting gaat lijnrecht in tegen de gangbare openbare mening, voor welke de sport als het spel-element bij uitstek in onze cultuur geldt. Inderdaad heeft zij van haar spelkarakter het beste verloren. Het spel is verernstigd, de speelstemming is er min of meer uit geweken.”

Het is de toestand zoals die in de jaren dertig van de vorige eeuw was die Huizinga hier beschrijft. Enkele voortekenen van de toestand zoals die ruim zeventig jaar later is, signaleert hij al. Nu heeft het professionalisme de zaak overgenomen. De spelers kan het niet langer schelen voor wie ze spelen – als ze maar goed betaald worden. Tegen deze miljonairs heeft het miljoenenpubliek geen bezwaar.

Nu zullen de werken van Huizinga wel niet op het nachtkastje van de bobo’s van de KNVB staan (het zou er trouwens onder bezwijken).

Ook zal het onsportieve optreden van het Nederlands elftal tijdens de finale tegen Spanje hun wel geen zorg zijn. Zelf all part of the game geworden – een game die geen spel meer is.