Het mariene milieu is op olie ingesteld

Ramingen van de ernst van de olieramp in de Golf van Mexico onderschatten wellicht het natuurlijke vermogen van de oceaan om olie af te breken.

Nog maar net is de lekkende olieput in de Golf van Mexico gedicht, of het relativeren van de ‘ongekende olieramp’ is begonnen. Bij nader inzien lijkt de schade aan het milieu wel mee te vallen. Misschien was de ramp zo groot niet.

Nu bekend is geworden dat in totaal ongeveer 4,9 miljoen vaten olie (van 159 liter elk) zijn weggelekt kan ook met reden worden afgedongen op het unieke van de ramp. De verongelukte tanker Amoco Cadiz liet in 1978 bij Bretagne zo’n 1,6 miljoen vaten in zee lopen. In 1979 kwamen bij de Ixtoc-blowout in ondiep water 3,5 miljoen vaten vrij, ook in de Golf van Mexico. Tussen januari en maart 1991, tijdens de eerste Golfoorlog, zijn 12 miljoen vaten in de Perzische Golf gestroomd.

De unieke ramp kent dus zijn gelijken. Er valt aan toe te voegen dat uitgerekend in de Golf van Mexico vele tientallen ‘natural seeps’ voorkomen. Jaarlijks sijpelt daaruit naar ruwe schatting het equivalent van 0,8 miljoen vaten olie spontaan uit de bodem, al honderden, misschien al duizenden jaren lang. Zelfs binnen 15 km afstand van de plaats waarboven in april de ‘Deepwater Horizon’ ontplofte. Het mariene milieu is om zo te zeggen op olie ingesteld, aannemelijk is dat er veel bacteriën zijn van het soort dat makkelijk olie afbreekt. Zij zijn het die de laatste resten olie zullen opruimen en deze natuurlijke ‘biodegradatie’ werkt efficiënter dan algemeen bekend is.

Valt de milieuschade dus wel mee? In mei waarschuwde zoöloog Kees Camphuysen, verbonden aan het NIOZ op Texel, voor overdrijving van de ramp. Inmiddels doet hij het omgekeerde. „Je ziet bijna geen olie meer aan het oppervlak, maar dat wil niet zegen dat die er niet meer is”, zegt hij. „Er schijnt zich veel olie op grote diepte te hebben verzameld. En wat de schade aan het milieu zal zijn wordt misschien wel nooit bekend. Zoals bij bijna elke olieramp ontbreekt een nul-meting. Als flora en fauna niet vooraf in kaart zijn gebracht valt ook niet te zeggen hoezeer ze zijn achteruitgegaan.”

Wierd Koops, auteur van vakliteratuur over oliebestrijding, is toch sceptisch. „Ik probeer er steeds achter te komen hoeveel vogels daar zijn omgekomen. Nooit hoor ik hogere aantallen dan honderden. Bij olierampen in West-Europa zijn het er al gauw vele duizenden. En de teerballen die ze daar van het strand scheppen, spoelen hier elke winter aan.”

Koops heeft het optreden van BP op afstand gevolgd en heeft gemengde kritiek. Enerzijds bewondering voor de snelheid waarmee een nieuwe put (een ‘relief well’) werd geboord en respect voor het aanbrengen van de kappen boven de lekkende put. Aanzienlijk minder waardering voor de omgang met de olie die ontsnapte.

„Wat daar op 1500 meter diepte uit de bodem omhoog kwam was een heet mengsel van olie, water en gas. Daaruit loste tijdens de lange tocht naar boven al veel stoffen op. Op het zeeoppervlak ontstond bijna direct een roze-bruine ‘chocolate mousse’: een mayonaise-achtige emulsie van water en olie met zo’n 60 procent water. Dat kun je met ‘veegarmen’ uitstekend van het water scheppen. Maar Amerikaanse wetgeving stond het vegen een tijd in de weg. Toen heeft BP dispersiemiddelen over de mousse uitgestrooid. Dat werkt helemaal niet op zo’n emulsie.”

Dispersiemiddelen versterken de natuurlijke dispersie van olie, dat is het uiteenvallen van de olie in kleine druppeltjes. BP gebruikte gangbare Corexit-preparaten die bewezen milieuvriendelijk zijn. Beperkte olielekkages worden wel met dispersiemiddel bestreden om de olie toegankelijker te maken voor de afbraak door bacteriën. Maar BP heeft enorme hoeveelheden Corexit op 1500 meter diepte direct bij de oliebron gebracht. Daardoor is op die diepte een wolk uiterst fijne oliedruppeltjes ontstaan die door de heersende zeestromingen langzaam worden afgevoerd. De druppels zijn zo fijn dat ze niet of nauwelijks stijgen. Koops: ,,Dat was een foute beslissing. Nu is veel meer olie in het milieu gebleven dan nodig was. Ze hadden het omhoog moeten laten komen en moeten wegscheppen.”

Rond het bestaan en de omvang van de genoemde wolk of ‘pluim’ heerst veel geheimzinnigheid, zoals het vakblad Nature deze week beschrijft. Kennelijk bevangen door de juridische kanten van de Amerikaanse claim-cultuur lijkt de dienst NOAA het bestaan van de pluim te willen verdoezelen. In het recente rapport dat de pluim beschrijft is opvallend veel aandacht voor meetonzekerheden. Ook de bevinding dat het zuurstofgehalte van het water rond de pluim laag is, als gevolg van toegenomen activiteit van bacterieën, zou een meetfout kunnen zijn.

Essentieel is dat aardolie stoffen bevat die in hoge concentratie giftig zijn voor dieren. Benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen (aromaten die samen BTEX worden genoemd) zijn bovendien redelijk goed oplosbaar in water. Als ze niet op tijd door bacteriën worden aangepakt zijn ze een groot gevaar voor vissen en schelpdieren. Maar Koops heeft vertrouwen in de bacteriën. „Als daar voldoende zuurstof in het water is, zal de afbraak bij de heersende hoge temperatuur snel en volledig zijn.”