En Maurice peilt gewoon door

We staren ons blind op statistieken en peilingen.

Maar het kan juist prettig en gezond zijn om niet precies te weten wat we willen.

Illustratie Hajo

Er bestaat een verhaal van Jorge Luis Borges over de ‘loterij van Babylon’. In eerste instantie bestond deze loterij uit niet meer dan de mogelijkheid geld te verdienen met genummerde plaatjes. Maar omdat dit al snel niet spannend genoeg meer was, werden naast prijzen in het vervolg ook straffen uitgedeeld; eerst in de vorm van geldboetes, later in de vorm van gevangenisstraffen. De loterij werd steeds populairder, zodat uiteindelijk besloten werd haar gratis, algemeen en geheim te maken; zij werd alomtegenwoordig en alomvattend. Prijswinnaars hadden kans op een gelukkig huwelijk of een succesvolle carrière; straffen breidden zich uit tot ongelukken of een ontijdige dood. Een mysterieuze ‘Maatschappij’, die de trekkingen organiseerde, trok achter de schermen aan de touwtjes.

De laatste tijd moet ik vaak denken aan dit verhaal. Het gaat in wezen over een samenleving die zich volstrekt laat domineren door het lot, zich laat sturen door kansberekening. De hedendaagse samenleving begint, gezien haar preoccupatie met statistieken en peilingen, steeds meer op het Babylon van Borges te lijken. Met name bij de laatste verkiezingscampagne was het treurig om te zien hoe iedere inhoudelijke discussie in de kiem werd gesmoord door enerzijds de opiniepeilingen (welke coalities zijn mogelijk?) en anderzijds de ‘doorberekeningen’ van het Centraal Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek. En Maurice de Hond peilt maar door.

Statistieken zijn alomtegenwoordig. Hoeveel procent van de jongeren heeft wel eens drugs gebruikt? Hoeveel procent van de vrouwen heeft last van urineverlies? Hoe groot is de kans dat ik sterf aan een hartaanval? Even vaak worden statistieken verkeerd begrepen of gelezen: het aantal neergestorte vliegtuigen dit jaar is al zo groot dat ik veilig op vliegvakantie kan gaan; of: als 1 op de 10 mensen homoseksueel is, moet één van mijn tien vrienden wel homoseksueel zijn.

Achter deze obsessie met cijfers gaat een vreemde paradox schuil. Enerzijds geven de statistieken het individu het gevoel zijn eigen lot in handen te hebben: meten is weten en kennis is macht. Als het gebruik van een zonnebril de kans op een auto-ongeluk met 15 procent doet afnemen, dan zal ik met mijn zonnebril minder snel een ongeluk krijgen. Of: als ik niet rook, niet drink, gezond eet en veel beweeg, zal ik een lang en gelukkig leven leiden.

Maar anderzijds verschijnt het individu binnen de statistiek slechts als getal, als één uit een steekproef van duizenden. Jouw handelingen zijn voor ‘het grote geheel’ van generlei invloed. De statistieken geven je op die manier juist het gevoel alsof je onderworpen bent aan een alomtegenwoordige, almachtige loterij.

Ondertussen worden we in die bijna dagelijkse stroom opiniepeilingen voortdurend geconfronteerd met onze eigen meningen, onze eigen angsten en dromen. Wat vindt de gemiddelde mens, wat vindt het volk?

Om al die opiniepeilingen hangt een democratisch of zelfs democratiserend aura. Men moet immers op de hoogte blijven van de wensen en meningen van ‘de man in de straat’. Toch veroorzaken ze in feite de bestendiging van de status quo. Statistieken en peilingen zijn al lang geen neutrale meetinstrumenten meer, want ze zijn van grote invloed op datgene wat ze meten. De mening van de meerderheid wordt al snel tot norm verheven. Dat blijkt wel uit de verrechtsing van het publieke debat in Nederland: borrelpraat is salonfähig geworden.

De Franse filosoof Jean Baudrillard noemde opiniepeilingen een vorm van ‘statistisch exhibitionisme’ en ‘zelfvoyeurisme’, en hij schreef: „In een soort hypochondrische manie moet de groep voortdurend weten wat ze wil, weten wat ze denkt.” Onze cultuur verlustigt zich schijnbaar onophoudelijk en onverzadigbaar aan zichzelf. Politici hadden tijdens de laatste verkiezingen hun mond vol van ‘stippen aan de horizon’, maar kwamen uiteindelijk niet verder dan een wedstrijdje bezuinigen met het CPB en CBS als scheidsrechters. Intussen laten het consumentengedrag en de arbeidsmarkt zich leiden door onderzoeken naar het consumentengedrag en de arbeidsmarkt. De hele samenleving raakt zo in een paralytische shock, zoals Narcissus toen hij verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld.

Geluk, zo schreef filosoof Walter Benjamin in zijn essay Lot en karakter, behoort niet tot het domein van het lot maar bestaat juist in het niet langer gebonden zijn door het lot, in het zich ontworstelen aan de blinde loop der dingen. Juist menselijk handelen is daartoe in staat, maar niet als mensen hun levens beschouwen als een lot in de loterij van Babylon.

We zouden ons wat minder moeten richten op wat statistieken en peilingen ons over onszelf vertellen. Niemand weet hoe de wereld er over tien, twintig jaar uit zal zien, ook het CPB niet. Onverwachte ideeën en onconventionele oplossingen kunnen niet altijd in rekenmodellen worden uitgedrukt en kunnen niet altijd met peilingen geëvalueerd worden. Dat betekent dat het soms gezond of prettig kan zijn om niet precies te weten wat we zelf willen, vinden of doen. Dus: leg Maurice de Hond aan een ketting en smeed rekenmachines om tot tekentafels. Misschien dat we onszelf dan nog eens kunnen verrassen.

Thijs Lijster is filosoof, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.