Crisis bij het voetbal

De financiële problemen in het betaald voetbal zijn een afspiegeling van de nationale en internationale crisis die bijvoorbeeld het Nederlandse kabinet nu tot zulke ingrijpende maatregelen noopt.

Het komt er simpelweg op neer dat clubs voortdurend alvast geld uitgaven waarvan ze hoopten dat ze dat later nog zouden verdienen. Op grote schaal hebben ze mis gegokt. Tv-gelden, transfersommen, sponsoring, ze werden als inkomsten ingeboekt en al besteed. Toen die opbrengsten uitbleven of tegenvielen, ontstonden de liquiditeitsproblemen. Betalingsachterstanden die een aantal clubs in het voetbalseizoen, dat morgen begint, ‘strafpunten’ kosten. Voetbalbond KNVB deelt die straf terecht uit; de clubs waren ervoor gewaarschuwd dat punten in mindering konden worden gebracht. Dit sanctiesysteem staat omschreven in de licentie op basis waarvan ze aan de competitie mogen deelnemen.

De netto omzet in de bedrijfstak betaald voetbal blijft in toenemende mate achter bij de bedrijfslasten, waarvan de salariskosten voor spelers en trainers verreweg de grootste post vormen. Het is heel eenvoudig: wil een club kunnen voortbestaan, dan zal daar het mes in moeten. Het is te hopen dat spelers en trainers zich dat voldoende realiseren. Waar 60 procent als een acceptabele norm wordt beschouwd – volgens de werkgroep-Vermeend die hierover eerder rapporteerde – zijn er clubs die 80 procent of meer van hun uitgaven aan de salarissen besteden.

Een ander probleem is dat sportief succes dan wel degradatie een veel te grote impact hebben op de financiële reikwijdte van een club. Deelname aan Europees voetbal of niet, degradatie naar de eerste divisie of niet: het is een wereld van verschil. Niet zelden nemen clubs kostbare paniekmaatregelen om het een te bereiken of het ander te voorkomen. In wezen is hier sprake van systeemfouten.

De KNVB heeft gisteren bekendgemaakt dat dertien clubs in categorie 1 zijn ingedeeld. Dat is de hoogste alarmfase: de clubs zijn onder curatele gesteld en krijgen drie jaar de tijd om orde op zaken te stellen. Zo niet, dan verliezen zij hun licentie. Als de bond die stap echt durft te zetten.

Dit is overigens een momentopname. De afgelopen vijf jaar hebben 36 van de (toen nog) 38 clubs enige tijd in categorie 1 gestaan. Nieuw is dat de namen van de clubs nu zijn bekendgemaakt; naming and shaming dat hopelijk helpt.

Sponsoring, tv-gelden, recettes en merchandising zijn de inkomstenbronnen waar de clubs het mee moeten doen. Hopelijk is binnenkort de tijd voorbij dat gemeenten clubs in nood de helpende hand toestaken, al gaven Tilburg en Maastricht nog het verkeerde voorbeeld. De VNG heeft nu alle betrokken gemeenten uitgenodigd voor een bijeenkomst om een gezamenlijk beleid uit te stippelen. Het eenvoudige uitgangspunt moet zijn dat financiële tekorten die voornamelijk ontstaan door te hoge salarissen, niet met overheidsgeld worden opgevangen. Zeker niet in een bedrijfstak die soms niet vies is van zwart geld of een schaduwboekhouding.