Obama's activisme wordt oefening nederigheid

Ontmoedigde Democraten in de VS worden deze zomer geteisterd door corruptie, Republikeinen maken zich op voor verkiezingswinst. President Obama rest straks nog een conventionele rol.

Tom-Jan Meeus

De zomerse stilte in Washington is dit jaar bedrieglijk. Officiële aankondigingen blijven uit, maar het tijdperk van de grootse hervormingen van president Barack Obama is alweer voorbij, althans in zijn eerste termijn.

De Democratische partij van Obama is verwikkeld in pijnlijke corruptieaffaires. De populariteit van de president blijft dalen. De kans groeit dat de Republikeinen, die het debat al de hele zomer domineren, over drie maanden bij Congresverkiezingen de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden terugwinnen.

Het schrikbeeld van 1994 is terug, toen de Democraten na ruim anderhalf jaar Bill Clinton een verpletterende nederlaag bij de Congresverkiezingen leden. Conservatief Newt Gingrich werd voorzitter van het Huis, en voor Clinton resteerden zes jaren van compromissen en bescheidenheid.

Hoe serieus het probleem van de Democraten is, blijkt uit cijfers van Gallup: drie maanden voor de verkiezingen van 1994 waren Republikeinen en Democraten ongeveer even populair (45 om 45 procent). Nu leiden de Republikeinen bij Gallup met vijf procentpunt: Republikeinen 48 procent, Democraten 43 procent.

Als het Congres na deze week met reces gaat, heeft Obama niets meer aan de overweldigende meerderheden (Democraten hebben 253 van de 435 zetels in het Huis, en 59 van de 100 in de Senaat) die zijn partij sinds januari 2009 heeft. Formeel hervat het Congres in september zijn werk, maar dan draait de campagne op volle toeren: geen periode waarin politici nog risico’s nemen.

Het betekent dat het netto resultaat van Obama’s activisme kan worden opgemaakt. Hij zou het vertrouwen in de overheid herstellen. Hij zou met klimaatwetgeving komen, het probleem van illegale immigratie humaan aanpakken, hij zou Guantánamo Bay sluiten en terreurverdachten volgens de normen van het strafrecht berechten. Hij zou Iran via diplomatieke weg tot inkeer brengen en het Israëlisch-Palestijnse vredesoverleg nieuw leven inblazen.

Het is niet gelukt. In sommige gevallen is het zelfs amper geprobeerd. En gezien de hyperpolarisatie in Washington is de kans klein dat Obama deze vraagstukken nog kan oplossen, zeker niet met meer Republikeinen in het Congres.

Zo eindigt zijn activisme in een oefening in nederigheid. Op zijn verjaardag – Obama wordt vandaag 49 – belegt Organizing for America, de groep die het adressenbestand van zijn supporters uit 2008 beheert, in het hele land verjaarspartijtjes. In varianten op de slogan ‘yes we can’ (‘yes we canvas’, ‘yes we cake’) probeert de groep de gedemoraliseerde aanhang weer te activeren, in de hoop genoeg canvassers en ander voetvolk voor november te rekruteren.

Democratische leiders benadrukken dat de president een ineenstorting van de economie heeft afgewend. Ze wijzen op de versterkte controle op de banken en de hervorming van het zorgstelsel – voor progressieve Democraten de grootste zege in jaren. Probleem is alleen dat het publiek nog altijd sceptisch is, zodat ‘zorg’ als campagnethema de partij vermoedelijk nauwelijks zal helpen.

Alles wordt intussen overschaduwd door het aarzelende herstel van de economie. De werkloosheid bevindt zich nog altijd boven 9 procent. De haperende groeicijfers van het tweede kwartaal voeden de verwachting dat de werkloosheid in het najaar zelfs oploopt. Het zou een waar feest voor de Republikeinen zijn.

Op de achtergrond speelt een existentieel probleem voor Obama en zijn partij: ondanks al het federale activisme – stimuleringsbeleid, overname auto-industrie, steun banken, hervorming zorg – denken Amerikanen sinds vorig jaar negatiever over de overheid. Het fundamentele wantrouwen tegen Washington groeit door.

De analyse die Democraten na de financiële crisis van 2008 maakten – dat de vrije markt geremd moest worden, en de overheid versterkt – is niet aangeslagen. De leuze van Reagan uit de jaren tachtig („de overheid is niet de oplossing, de overheid is het probleem”) zou het ook de komende campagne nog goed doen.

Juist door deze existentiële crisis pakken de corruptieaffaires waarmee Democraten te maken hebben zo demoraliserend uit. Toen Democraat Nancy Pelosi in 2006 voorzitter van het Huis werd beloofde zij „het integerste en schoonste Congres in de geschiedenis”, omdat Republikeinen daarvoor van de ene corruptiezaak naar de andere zwalkten. Nu overkomt Democraten hetzelfde.

Charlie Rangel uit New York, jarenlang de fiscaal specialist van de partij in het Huis, blijkt al die jaren geen belasting te hebben betaald voor zijn riante buitenhuis in de Dominicaanse Republiek. Ook dwong hij bedrijven geld af te dragen voor een instantie ter meerdere eer en glorie van hemzelf. En een andere bekende Democraat, Maxine Waters uit Californië, regelde een afspraak voor haar man bij Financiën zodat de bank waarvan hij grootaandeelhouder was gered kon worden. De straf voor Rangel en Waters wordt uiterlijk dit najaar bepaald – meer slecht nieuws voor hun partij.

Zo komt het dat deze zomer discussies worden gevoerd die een jaar geleden, toen de kater van Bush nog niet was uitgewerkt, ondenkbaar waren. Eind 2010 vervallen de belastingverlagingen voor de allerrijksten die Bush invoerde. Obama heeft dat geld nodig voor de zorghervorming, maar Republikeinen voeren sinds een paar weken campagne voor continuering van deze belastingverlagingen – waartegen Obama in 2008 nog met groot succes opponeerde.

Het Republikeinse argument: dit is in de praktijk een belastingverhoging en dus slecht voor de economie. En tekenend voor het klimaat is dat vorige week drie Democratische senatoren naar buiten kwamen om steun aan het Republikeinse voorstel uit te spreken. In de zomer van 2010, schreef een cynische commentator in Politico, „kun je als Democraat het beste zoveel mogelijk op een Republikein lijken.”