Japanse verkoper buigt voor Chinese klant

Het ‘Rijk van het Midden’ herneemt zijn positie in het centrum van Azië. Japan lijkt de tweede rang te accepteren.

Met haar gepolijste glimlach heeft Fuki Murakami op deze zomerse ochtend alweer tien bussen met Chinese toeristen mogen begroeten. Gestoken in een witte kimono deelt zij folders uit bij de ingang van Laox, een elektronicapaleis in de Tokiose elektronicawijk Akihabara. Binnen liggen camera’s, iPods en laptops hoog opgetast, maar wat kopen de Chinezen vooral? „Rijstkokers”, zegt Murakami.

Het wemelt tegenwoordig in Tokio van Chinese toeristen met tassen vol nieuwe gadgets of complete golfuitrustingen. Vijf jaar na de grote anti-Japanse demonstraties van maart 2005 in China is onder de nieuwe rijken winkelen in Tokio een populair uitje geworden.

Dit jaar neemt China de positie van Japan als tweede economie van de wereld over. Meer dan een half miljoen welgestelden zullen in 2010 de Oost-Chinese Zee oversteken om Japanse merkartikelen in Japanse warenhuizen aan te schaffen. Dat kan thuis in Shanghai, Peking of Hangzhou natuurlijk ook, maar een trip naar Tokio is cool en statusbevestigend.

De Chinezen zijn op de stagnerende Japanse markt zeer welkome klanten. Per 1 juli is het voor Chinezen makkelijker geworden om een toeristenvisum te krijgen dan al het geval was en afrekenen met Chinese creditcards (van China Union Pay) wordt ook steeds eenvoudiger. Prijsvechter Laox zou zonder de Chinezen zelfs failliet zijn gegaan als gevolg van de wegblijvende Japanse klanten. De helpende hand kwam niet alleen van Chinese kopers, maar ook van Chinees kapitaal. Laox is voor 51 procent eigendom geworden van het Chinese Sunding Appliance, de op één na grootste elektronicaketen van China.

Een Japans bedrijf in Chinese handen. Dat was een schok voor het land dat lang is betiteld als ‘Fort Japan’ en waar zeker een deel van de bevolking zich superieur voelt aan Chinezen. Laox is bij lange na niet de enige onderneming die onlangs door Chinese investeerders is overgenomen. China is sinds 2008 op koopjesjacht. Eerder namen Chinezen al ski- en spaoorden, golfclubmaker Honma en verpakkingsfirma Tri-Wall over.

Het aantal transacties zal dit jaar verdubbelen tot 36 ten opzichte van 2009 volgens de (Japanse) zakenbank Mizuho Securities. In geld uitgedrukt is de omvang van de Chinese opmars in Japan nog bescheiden, de grens van een miljard euro zal dit jaar net worden overschreden. Maar volgens Chinese en Japanse investeringshuizen komt het moment van een grote Chinese overname steeds dichterbij.

Vervolg Japan/China: pagina 12

Veelzijdige kruisbestuiving van Japan en China

‘De geschiedenis en de oorlog zijn wat China betreft niet vergeten”, zegt professor Zhang Haochuan, econoom en plaatsvervangend directeur van het Centrum voor Japanse Studies aan de Fudan Universiteit in Shanghai. „Maar de economische crisis heeft geleid tot een zeer positieve verbetering van de relaties. Terwijl de VS en Europa worstelen met de nasleep van de crisis, worden in Azie, het nieuwe centrum van de wereld, de economische banden versterkt ondanks twistpunten en verschillende politieke systemen.”

Het voorbeeld van elektronicagigant Laox is illustratief voor de nieuwe ontwikkelingen in de Japans-Chinese relaties. In Tokio erkent Laox-manager Yoichi Kitazawa dat er aanvankelijk onder het personeel „veel weerzin bestond”. Maar „we waren bijna failliet en konden geen Japanse partner vinden. Dan is er geen andere keuze.” De Chinezen hebben het bedrijf niet alleen gered, maar zijn ook van plan van Laox in China een bekende naam te maken. „De positie van Japanse merknamen is ijzersterk, daar kan China voorlopig niet aan tippen. Suning opent de komende drie jaar 100 Laox-winkels in China, eerst in Peking en Shanghai, later in Guangzhou, Shenzhen and Nanjing’’, vertelt Kitazawa, die zeer te spreken is over de directe en pragmatische Chinese ondernemerscultuur.

De Japanse hoogleraar Hitoshi Tanaka, oud-topdiplomaat, is het met de manager eens. „Het is een natuurlijk proces dat landen hun economische kracht door samenwerking versterken. De onderlinge afhankelijkheid van China en de wereld groeit snel. Het herstel van de Japanse economie is erg afhankelijk van de Chinese binnenlandse markt. De middenklasse groeit daar hard, er is een enorme vraag naar Japanse producten en technologieën. China heeft ons nodig en wij hebben hen nodig. Ik zie dit als een kans, niet als een risico of bedreiging.’’

Tanaka onderstreept een andere verandering in het Japanse denken over China. Lang werd China beschouwd als een werkplaats met een overvloed aan spotgoedkope arbeidskrachten. Als gevolg van de stijgende lonen en de komst van een welvarende middenklasse wordt China ook meer en meer een afzetmarkt. Sinds 2007 is China voor Japan al een grotere exportmarkt dan de VS.

Vlak bij het granieten, ongenaakbare parlementsgebouw in Tokio demonstreren dagelijks gepensioneerden van onversneden nationalistische snit. Gehuld in een gifgroen jack met op de rug de Japanse vlag windt Yasuo Kitadate zich enorm op. „Onze regering levert zich uit aan China. Onze leiders zijn meer met China bezig dan met hun eigen land. Waar is onze trots gebleven?” Het maakt volgens hem niets meer uit of de conservatieve Liberaal Democratische Partij regeert, die de halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog vrijwel continu aan de macht was, of de iets vooruitstrevender Democratische Partij die recent de macht heeft overgenomen.

Aan de hekken voor het parlement heeft het groepje foto’s opgehangen van verminkte slachtoffers van Mao’s Culturele Revolutie. „De Chinezen zijn arrogant. Als dit zo doorgaat hebben zij Japan in 2050 ingelijfd”, zegt Yoshimi Kanazawa (63) een nationalistische compaan van Kitadate. China is agressief, zeggen ze, het land neemt in Japan bedrijven over en breidt zijn marine uit. Toen de olympische toorts voor de Spelen van Peking door de straten van de Japanse stad Nagano werd gedragen „wemelde het van de Chinese vlaggen. Het leek wel of we door China waren bezet.”

Nee, zeggen de heren, neem dan Junichiro Koizumi, premier van 2001 tot 2006 namens de LDP, die ondanks alle Chinese gevoeligheden elk jaar trouw de Yasukuni-tempel bezocht waar Japanse oorlogsdoden worden herdacht, inclusief veroordeelde oorlogsmisdadigers. „Het probleem is Japan zelf. We zijn veel te aardig tegen China”, zeggen deze mannen.

Dat is een sentiment dat bij een deel van de elite in Japan ook leeft. Nauwe banden met China zijn economisch noodzakelijk en in het welbegrepen eigenbelang, maar er zijn ook zorgwekkende ontwikkelingen. China is, zegt professor Tanaka, een instabiel land. De kloof tussen arm en rijk is groot, de stelsels voor gezondheidszorg en pensioenen zijn zwak, het bestuur gecorrumpeerd. „De enorme instabiliteit in combinatie met het nationalisme en de ondoorzichtige opbouw van de militaire expansie baren zorgen”, meent Tanaka.

Zijn Chinese collega, professor Zhang Haochuan, deelt de Japanse zorg over de instabiliteit van China. „De kloof tussen arm en rijk groeit en levert spanningen op. China is bij lange na niet zo goed georganiseerd als Japan. We kunnen veel van Japan leren. China heeft Japan nodig om technologie, vakmanschap en merken te ontwikkelen”, aldus Zhang.

Dat respect voor Japan deelt hij met de in Japan werkzame Leng Funing (28)en Ma Lening (24). De Chinese jongeren werken bij het Nederlands-Britse Unilever in Tokio. In café Ni Hao (Chinees voor ‘hoe gaat het’) vertellen zij over hun ervaringen. „Japanners zijn zeer perfectionistisch, gaan voor kwaliteit. Chinezen zijn meer gericht op snelheid en winst. Chinezen zijn gericht op de familie, Japanners op de groep”, zo somt Leng een aantal in het oog springende verschillen op. „In het zakendoen in China is de relatie tussen twee mensen belangrijk. In Japan gaat het om zaken tussen twee ondernemingen. Japanners zijn meer fair, Chinezen zeggen: regels zijn door mensen gemaakt, dus die kunnen we zo weer veranderen”, meent Ma. Ze willen allebei in Japan blijven, om de kwaliteit van leven, veiligheid en vervoer. „Japan is China dertig jaar vooruit”, vindt Ma.

Omgekeerd zijn er Japanners die de kansen in China aangrijpen. Taka (32) – hij gebruikt alleen zijn voornaam – zei zijn vaste baan bij Toyota op om in Shanghai met een Chinese ondernemer een keten van theehuizen op te bouwen. Kaixinguo, zoals hij zijn keten heeft genoemd, serveert theedesserts die razend populair zijn onder Chinese jongeren. „Japan stagneert, jongeren krijgen er nauwelijks kansen en je moet eeuwen wachten op promotie of op toestemming om een bedrijf te beginnen. Ik had hier binnen een paar weken een vergunning om een zaak te openen”, vertelt hij.

Taka mijdt zoveel mogelijk de reusachtige gemeenschap van meer dan 100.000 Japanse expats in Shanghai die beschikken over eigen scholen, twee kranten, vijf weekbladen, sport- en culturele verenigingen. „De meeste Japanners hebben een hekel aan Chinezen en zijn hier alleen maar omdat ze zijn gestuurd door hun werkgever.” Van anti-Japanse gevoelens heeft hij geen enkele last en dat is opmerkelijk in een stad waar aan het begin van de Japans-Chinese Oorlog (1937-1945) zwaar is gevochten. „Het is verschrikkelijk wat wij hier in China hebben gedaan, maar ik hoor er nooit iets over in verwijtende zin’’, vertelt Taka die houdt van de gezellige chaos in China.

Zijn vriend Naoya Miyauchi (48) heeft net als Taka ook een bedrijf opgericht in Shanghai, Addworks Advertising. Hij ontwerpt de reclamecampagnes voor Japanse bedrijven in China en moet zijn kantoor voortdurend uitbreiden. „In Japan is de hele advertentiesector ingezakt, hier groeien we met dubbele percentages.”

Miyauchi is nog een stap verder gegaan in het versterken van de Japans-Chinese relaties. Hij is getrouwd met Zhang Xiwei, een 30-jarige tandartsassistente die dankzij haar studie Japans en een jarenlang verblijf in een Tokiose tandheelkundekliniek de taal van haar man vloeiend spreekt. Hun voertaal is Japans en de tv in hun appartement staat afgestemd op een Japanse nieuwszender dat een kookprogramma uitzendt. De vrolijke Zhang is net als miljoenen leeftijdgenoten een grote fan van de Japanse keuken, de mode, de muziek en de films. „Ik hou ook enorm van het Japanse dienstbetoon en de reinheid”.

Miyauchi en Zhang kunnen beschouwd worden als de verpersoonlijking van een nieuw tijdperk. Hij komt uit een Tokiose militaire familie en zij uit Nanking, waar in 1937 volgens de Chinezen meer dan 250.000 Chinese burgers en militairen werden vermoord door oprukkende Japanse eenheden. Toen zij elkaar leerden kennen, stonden zij geen moment stil bij de bijzondere historische context van hun relaties.

De vader van Zhang Xiwei had ondanks het feit dat hij tijdens de ‘Slachting van Nanking’ familie had verloren, geen enkel bezwaar tegen het huwelijk van zijn dochter met een Japanner. „Beter dan een Chinese boer, zei hij”, vertelt Zhang. Miyauchi: „Hij nam mij wel mee naar het monument en het museum ter herdenking van de slachtoffers. Ik vind dat iedere Japanner in China, iedere Japanse leider en scholier dat museum moet bezoeken. Wij weten te weinig van onze eigen geschiedenis met China.” Zhang Xiwei: „Laten we die geschiedenis nu maar eens afsluiten. Het verleden is het verleden, voor onze generatie niet meer van belang. Het zijn altijd de politici die de geschiedenis oprakelen. Het is toch duidelijk dat China en Japan elkaar kunnen versterken.’’

Zij wrijft over haar bollende buik. Hun eerste kind is op komst. Of de baby de Japanse of de Chinese nationaliteit krijgt, is nog onderwerpen van gesprek. Hij weet het nog niet, maar zij zegt: „Ik hoop dat hij of zij de Japanse nationaliteit krijgt, maar laten we hem of haar maar zelf laten beslissen.”

Hij: „OK, als onze baby later maar veel beter Chinees leert spreken dan ik, want ook voor iemand met een Japans paspoort is dat de toekomst.”

Zij: „Geen probleem, dat gaat vanzelf als we in Shanghai blijven.”

Hij omarmt haar stevig. „Ik heb beslist geen verhuisplannen. Ik zie in Japan geen toekomst. Japan is als een perfecte auto die zonder remmen bergafwaarts rolt. Aan de Chinese auto mankeert nog veel, maar die gaat wel naar de top.”