'Op mijn omafiets door de Ooijpolder'

Thalia Verkade spreekt met vijf schrijvers en cabaretiers die over fietsen schreven, over hun favoriete fietsroute. Aflevering 1: cabaretière Marijke Boon.

Met enige regelmaat maken schrijvers die niet wielrennen maar wel fietsen professionele racefietsers belachelijk. Zo noemt schrijver Ilja Leonard Pfeijffer hun rijwielen smalend „jonge renpaarden van vederlicht carbon. Hun gebrek aan gewicht is volledig het gevolg van gebrek aan karakter.” Jeugdboekenschrijfster Saskia van der Valk, die graag langzaam fietst, beschrijft wielrenners met afschuw als „een specimen fietsers dat voor het plezier probeert juist zo hard mogelijk te fietsen. Gehuld in reclameshirts en omstuwd door volgauto’s en helikopters maken deze idioten ’s zomers het sportjournaal onveilig.” (Uit de verhalenbundel: Ode aan de fiets, 2000)

Mountainbikers roepen minder irritatie op. Maar kleinkunstenares Marijke Boon maakt zich wel vrolijk over ze, in het gedicht Boven het Dal:

Het oogt sportief en daarom heet

zijn fiets geen fiets maar bike.

Hij heeft z’n kleding aangepast

in Adidas en Nike.

Zijn fiets heeft veel versnellingen, wel twintig zijn het er.

Dat is voor steile hellingen,

maar hellingen zijn ver.

Da’s geen probleem, hij heeft geleased met fietsenrek en al.

En na zo’n driekwartier plankgas

zit hij in Berg en Dal. [...]

„Mannen die jong proberen te doen terwijl ze al oud zijn. Ik schreef dit in de jaren negentig, toen je die brede banden van de mountainbike steeds vaker zag”, zegt Boon (58) telefonisch vanuit Utrecht. De kleinkunstenares, die zichzelf al ruim 25 jaar bij haar droog-humoristische levensliederen op de accordeon begeleidt, scoorde net geen hits met liedjes als Fryslan Tango („God woont niet in Frankrijk, God is Fries”) en Geprobeerd een hitje te schrijven („Als ik wat commerciëler was had ik allang succes”).

Boven het dal was in eerste instantie geschreven als lied met een accordeondeuntje eronder. „Ik heb het uiteindelijk opgevoerd als rap, op de rand van het podium”, zegt Boon.

Ze schreef verschillende teksten over fietsen, waaronder het liedje Ik fiets door het leven op het zadel des tijds, dat ook de titel van een bundel werd. En ze maakte bij wijze van kunstproject met kunstacademiecollega Anne Mieke Backer een levende uitvoering van het oubollige jarenvijftigkaartspel Stap Op. Daarin zijn spelers groene poppetjes die honderd kilometer aan fietstochtjes bij elkaar moeten fietsen ‘langs plassen, bos, hei en zee’. Bij het spel is vooral veel geluk nodig, spelers kunnen elkaar hinderen met pestkaarten zoals wind tegen, een gesloten overweg of een lekke band. „We hadden korte broekjes aan en alpinopetjes op, zoals de poppetjes uit het spel, en fotografeerden onszelf voor dichte spoorwegbomen en met lekke banden”, vertelt Boon. „Onder de namen Nel en Baukje Eigenheimer fietsten we door Nederland en lieten ons registreren voor een jeugdherbergpas. Daar hebben we een diavoorstelling, foto’s en een filmpje van gemaakt.“

Boon, die in Utrecht woont en daar ook veel in de omgeving fietst, heeft zelf geen sportfiets, maar een gewone omafiets van het merk Gazelle. „Ik zit altijd rechtop.” Het Gelderse dorpje Berg en Dal leerde ze kennen toen ze het zangduo de Boli’s vormde met collega Stef van der Linden uit Nijmegen. „Ik heb zelf nooit door Berg en Dal gefietst. Ik ben meer van de weilanden, rivieren en weidevogels. Wel heb ik er gewandeld. Fietsen deden we langs de Waal en door de Ooijpolder. Vanaf daar kon je Berg en Dal zien liggen.”

Het verst dat de cabaretière zelf op de fiets ooit kwam was Frankrijk, iets voorbij Calais. „Met de vriendin van het Stap Op-spel wilde ik naar Parijs rijden voor een ander project. We zouden daar de Nederlandse vlag keren. Als je hem overdwars houdt, wordt het de Franse. Maar het was veel te zwaar op die Gazelle, dus zijn we afgebogen naar de Belgische kust. Uiteindelijk zijn we toch nog in Boulogne-sur-Mer beland.”

Een gelukkiger bestemming dan die van de man uit Boons gedicht Boven het Dal, die over de heuvels wordt gekatapulteerd als zijn wapperende poncho zijn achterwiel blokkeert:

Er vliegt een man boven het bos,/ ’t lijkt even of ie zweeft./ Maar niemand kijkt,/ dus Berg en Dal weet niet of ie nog leeft./ Hoe lieflijk ligt het dorpje daar/ en nooit gebeurt er iets,/ Behalve dan die wandelaar,/ die had ineens een fiets.

Download de routekaart of een gpx-bestand op nrcnext.nl/fietsVolgende week dinsdag deel 2