Moeders, ga maar werken

Kinderen lijden niet onder een werkende moeder, blijkt uit Amerikaans onderzoek.

Maar de vraag wat de rol van de vader is, blijft nog onbeantwoord.

Werkende moeders hoeven zich niet langer schuldig te voelen. Hun kinderen lijden er niet onder als zij binnen enkele maanden na de bevalling weer aan de slag gaan. Een vorige maand gepubliceerde studie van Columbia University in New York toont aan dat de carrière van de moeder in het eerste levensjaar van haar kind geen effect heeft op diens sociale en cognitieve ontwikkeling. Deze conclusie, die ingaat tegen eerdere onderzoeken, kan ook het maatschappelijke debat over werk en verlof in Nederland beïnvloeden.

De Amerikaanse onderzoekers, die voor hun bevindingen gebruikmaakten van gegevens van het National Institute of Child Health and Human Development dat ruim duizend kinderen tot hun zevende volgde, is bijzonder goed nieuws voor vrouwen die in deeltijd werken. De wetenschappers raden hen aan maximaal 30 uur per week te werken. In de Verenigde Staten werkt 80 procent van de moeders vrijwel fulltime, maar in Nederland is parttime de norm. Drie op de vier vrouwen blijft werken na de geboorte van het eerste kind, maar slechts een kwart meer dan 28 uur.

Jane Waldfogel, één van de onderzoekers, noemt de bevindingen positief voor alle moeders. „Of ze nu willen of moeten werken, ze hoeven zich geen zorgen te maken dat het slecht is voor hun kind.”

Dat maakt dit onderzoek „verheugend”, zegt psychologe Saskia de Bel. In haar praktijk merkt ze dat veel moeders zich bezwaard voelen als ze meer dan een kleine deeltijdbaan buitenshuis hebben. „Het is positief dat nu bewezen is dat een schuldgevoel niet nodig is, maar het is jammer dat de vaders buiten beeld blijven.”

De onderzoekers verontschuldigen zich hiervoor, maar leggen uit dat de invloed van een al dan niet werkende vader moeilijker vast te stellen is. Al is het maar omdat het lastig is een vergelijkingsgroep te vinden met vaders die het eerste jaar van het leven van hun kind thuisblijven.

Volgens Waldfogel is het onderzoek uniek omdat voor het eerst een volledig beeld van de impact op de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van kleine kinderen wordt gegeven waarin familierelaties, inkomen en mentale gezondheid van de moeder meegewogen zijn.

Hoewel er nadelen kleven aan het hebben van een werkende moeder, zoals een iets verhoogde kans op gedragsproblemen als ongehoorzaamheid en agressiviteit, wegen de voordelen volgens de onderzoekers even zwaar. Een betere financiële situatie en een gelukkiger moeder compenseren de nadelen, aldus de onderzoekers. Omdat fulltime werkende moeders meer last hebben van depressies dan zij die in deeltijd werken, spreken de onderzoekers een sterke voorkeur uit voor dat laatste.

De Leidse professor Rien van IJzendoorn is niet overtuigd van de aanpak van het onderzoek, omdat het aantal werkuren van moeders centraal wordt gesteld en niet de kwaliteit en kwantiteit van de opvoeding in en buiten het gezin. Volgens de hoogleraar gezinspedagogiek kunnen oorzaak en gevolg in het onderzoek niet meer onderscheiden worden.. „De auteurs kunnen wel stellen dat deeltijdwerken tot minder depressieve moeders leidt, maar het kan ook omgekeerd zijn: dat de opgewektere moeders vaker kiezen voor deeltijd.”

Hij vindt het wel interessant dat de auteurs Amerikaanse moeders in feite aanbevelen het Nederlandse voorbeeld van parttime werken te volgen. „In Amerika is dat een relatief revolutionaire uitspraak.”

Naast de discussie over fulltime of parttime werken wakkeren de conclusies ook debat aan over het belang van een langdurig betaald ouderschapsverlof in het eerste levensjaar. Volgens Unicef is dit essentieel, maar de nieuwe studie spreekt dit tegen. De Bel: „Ik denk ook niet dat het nodig is. Prachtig als je een jaar met je kind kunt doorbrengen, maar het is wel een luxe. En waarom zou je niet kunnen zorgen én werken?” De psychologe schreef een boek over die combinatie en noemt het schuldgevoel als de grootste belemmering voor grotere arbeidsparticipatie van vrouwen. Van IJzendoorn voegt toe dat het bevorderen van voltijdwerk voor moeders niet effectief is. Net als De Bel ziet hij de gebrekkige deelname van vaders aan het gezinsleven als „de ontbrekende schakel in het emancipatiebeleid”.

De vraag blijft of de bevindingen van een Amerikaans onderzoek zomaar op Nederland toepasbaar zijn. De Bel onderschrijft dat wat betreft het inkomen en de psychische gesteldheid van de moeders de resultaten redelijk vertaald kunnen worden, maar de kinderopvang niet zondermeer te vergelijken is. Volgens Van IJzendoorn is de kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang de laatste jaren zo sterk gedaald dat deze niet meer beter is dan in de VS. „Door de commercialisering van de centra zet die trend de komende jaren door.”