Heimelijk opnemen en publiceren straks verboden, behalve voor journalisten

VVOJ undercoverWie stiekem eigen gesprekken met een ander opneemt en vervolgens verspreidt, pleegt  in de toekomst een strafbaar feit. Alleen opsporingsambtenaren en journalisten worden, onder voorwaarden, niet vervolgd. Dat is een nieuwe stap in het vastleggen van de bijzondere rechtspositie van de journalist in het strafrecht - na het verschoningsrecht nu ook het recht op undercoverjournalistiek.

Het zijn maar vier regeltjes in de memorie van toelichting (mvt), behorend bij het concept-wetsvoorstel Versterking bestrijding computercriminaliteit,  dat minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) vorige week verspreidde. In dat wetsvoorstel wordt de strafbaarheid van afluisteren, aftappen of opnemen van vertrouwelijke gesprekken uitgewerkt. Dat was al strafbaar als de ‘tapper’ zelf geen gesprekspartner is geweest, maar straks ook als dat wel het geval is geweest.

Dat zou journalistiek gesproken de doodsteek betekenen voor undercoverjournalistiek, of voor het gebruik van een verborgen camera of microfoon. Peter R. de Vries, bijvoorbeeld, zou zijn kunstje met Joran van der Sloot niet meer kunnen herhalen, want de bekentenissen van Van der Sloot waren zonder zijn medeweten opgenomen in een privéruimte.
De minister heeft zich die journalistieke gevoeligheid blijkbaar gerealiseerd. Op pagina 12 van de mvt schrijft hij: ‘strafbaarheid ontbreekt, bijvoorbeeld, in het uitzonderlijke geval waarbij het noodzakelijk was om misstanden aan de kaak te stellen en dit belang zwaarder weegt dan de belangen die gemoeid zijn met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de deelnemers aan het gesprek’.

Journalisten hebben dus geen onbeperkt recht op undercovernieuwsgaring. Er moet volgens de minister wel sprake zijn van een aantoonbare misstand die niet op een andere manier aan de kaak kon worden gesteld. Bovendien roept die relatieve uitzonderingspositie de vraag op wie zich journalist mag noemen. In het geval van Peter R. de Vries is dat evident, maar geldt dat ook voor de redacteur van het lokale voetbalblad of een individuele blogger?
Die vraag speelde twee jaar geleden ook in het debat over het verschoningsrecht voor journalisten.

In dat debat deed Hirsch Ballin geen poging om de journalistieke beroepsgroep te definiëren. Die definitie  bestaat wel voor advocaten of medici, die zich ook kunnen beroepen op bronbescherming. Bloggers en dagbladjournalisten kunnen zich beroepen op verschoningsrecht. Van belang is de vraag of publicatie gericht is op een kleine groep of juist bestemd is voor brede kring. Daarnaast speelt de vraag wanneer de journalist bronbescherming nodig heeft. Het moet dan gaan om informatiegaring in de uitoefening van zijn beroep en dus met het oog op uiteindelijke berichtgeving. Het is uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of een beroep op bronbescherming terecht was en de ethische beroepsregels van de journalistiek afdoende nageleefd zijn.

Dat zijn ook de criteria die Hirsch Ballin handhaaft in het huidige wetsvoorstel, waarin journalisten geclausuleerd het recht op undercoverjournalistiek behouden, aldus zijn woordvoerder. Het wetsvoorstel legt wel andere vormen van ‘internetjournalistiek’ aan banden. Twee jaar geleden publiceerden diverse internetsites een naaktfimpje van tv-presentatrice Manon Thomas. Tegen haar zin, de opnames waren ‘gehackt’ uit haar laptop. De dader kon vervolgd worden wegens computervredebreuk. Maar de latere verspreiders konden niet vervolgd worden, omdat heling van informatie die afkomstig is uit computervredebreuk nu niet strafbaar is. Dat gaat veranderen. Zij kunnen straks vervolgd worden wegens ‘heling van computergegevens’.

Internetproviders worden van strafrechtelijke vervolging uitgesloten, onder de voorwaarde dat zij alles doen om materiaal van de site te verwijderen als zij ontdekken dat dat er onrechtmatig op is gekomen. Dat gebeurt nu al op basis van de zogeheten ‘notice and take down-gedragscode’, waarin de overheid en providers afspraken hebben gemaakt over het verwijderen van onrechtmatige internetpublicatie, bijvoorbeeld wat betreft kinderporno of discriminerende en dus strafbare uitlatingen.

De minister vindt dat die vrijwillige regeling onvoldoende garantie biedt om onrechtmatige internetpublicaties tegen te gaan. Daarom krijgt het OpenbaarMinisterie het recht om onmiddellijke verwijdering te kunnen vorderen van dergelijke publicaties, met de mogelijkheid om dat via een dwangsom af te dwingen. Omdat met die bevoegdheid de vrijheid van meningsuiting en het vrije verkeer van informatie in het geding kunnen komen, wil Hirsch Ballin het Openbaar Ministerie uitrusten met een landelijk en gespecialiseerd team van officieren van justitie dat 24 uur per dag beschikbaar moet zijn.

Vooralsnog circuleert het wetsvoorstel bij de brancheorganisaties, zoals de Raad voor de Rechtspraak, het College van procureurs-generaal en de advocatuur. De toekomst moet uitwijzen wat de consequenties zijn voor de praktijk van undercoverjournalistiek en onthullingen op basis van vertrouwelijke, digitale documenten of gesprekken.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.