Een vegetarisch dinertje

Iemand zei eens: „Als ik beter kon koken zou ik wel vaker vegetarisch eten.”

Daar keek ik van op. Hoezo? Wat is er zo extra moeilijk aan groenten?

„Nou”, zei ze, „als ik ze klaar maak zijn ze gauw saai. Vegetarisch is meer werk, je moet aan elk gerecht iets doen.”

Dat is waar. Als je vlees braadt en een goede jus hebt, is het voldoende om er aardappelen en groenten bij te koken en dan hoef je aan die aardappelen en groenten niet veel te doen. Maar als je het vlees weg laat is ineens de vraag hoe je de spinazie denkt te bereiden en gekookte aardappelen met niets dien je ook niet snel op.

Al vind ik persoonlijk een gekookte aardappel met een beetje fleur de sel, of, nog beter, met een klontje boter en wat zout één van de heerlijkste dingen die er bestaan. Vroeger mocht ik dat van mijn oma als toetje eten.

Maar enfin, het ging over vegetarisch koken en dan vooral over zoiets als een etentje. Een etentje is sowieso iets anders dan een lekker schoteltje voor alleen jezelf of voor z’n tweeën en ook iets anders dan een gezinsmaaltijd.

Een van de rare dingen van een receptenrubriek is dat er steeds één recept bij staat, voor één ding bedoel ik. Maar je eet nooit alleen een salade, en ook niet vaak alleen sperzieboontjes of worteltjes, hoe bijzonder heerlijk ze op de wijze van het recept klaargemaakt ook zijn, en ook van gevulde inktvisjes wil je best weten hoe ze te combineren zijn.

Dat dacht ik laatst toen ik, uit verschillende recepten die de laatste tijd in deze rubriek waren verschenen, een vegetarisch dinertje samenstelde.

Het zag er als volgt uit: eerst een vichyssoise, de heerlijke koude aardappelpreisoep. Dan de salade met dragon-roomdressing van Simon Hopkinson die gisteren in de krant stond. Vervolgens citroen-ricotta ravioli met tuinboontjes, bestrooid met citroenrasp en citroenverbena en een scheutje olijfolie. En daarna fondant aux cerises, een kersencake die weer eens wat anders is dan clafoutis en die, ik zeg het erbij voor wie hem wil maken, wint bij een dagje staan. Sommige cakes hebben dat, dan worden ze wat voller van smaak. We aten alles achter elkaar en dat is precies wat al deze gerechten nodig hebben. Ze staan op zichzelf, in een geheel.

De kersencake is niet veel werk als je eenmaal het ontpitten van de kersen gehad hebt. Draag een schort en zet de kersen bijvoorbeeld in de gootsteen, dan spat het sap daar in het rond en niet vrijelijk door de keuken.

Verwarm de oven op 170 graden.

Was, ontsteel en ontpit de kersen. Doe de boter in een springvorm met een doorsnee van 24 cm en zet die in de oven tot de boter zacht is.

Scheid de eieren, bewaar de witten in een vetvrije kom of mengbeker. Klop de dooiers met de suiker en de kaneel luchtig. Doe de boter erbij, klop goed, doe de bloem erbij en meng goed.

Sla de eiwitten stijf en spatel ze met een vork door het beslag.

Smeer de boter die is achtergebleven in de springvorm goed uit en schenk het beslag in de vorm. Duw de kersen een beetje in het deeg en zet het geheel 45 minuten in de oven die nu op 180 graden wordt gezet. Prik met een scherp mes in de taart om te kijken of-ie gaar is, het mes moet er schoon uitkomen.

Laat de fondant afkoelen op een rooster.