Bazel mag niet wijken

Het gaat goed met de banksector, heel goed zelfs. Gisteren liet de Britse bank HSBC weten dat de winst voor belastingen over het eerste halfjaar met 121 procent is gestegen tot rond de 8,5 miljard euro, de Franse bank BNP liet een stijging zien met 39 procent tot 4,4 miljard. Andere banken laten een soortgelijk herstel zien. Alleen al gisteren steeg de koersindex voor banken in Europa met 4 procent.

Dat is goed nieuws, maar het is niet de bedoeling dat financiële instellingen doorgaan met hun praktijken van voor de kredietcrisis. Ook toen was de sector zeer winstgevend, totdat de rest van de samenleving met honderden miljarden euro’s moest bijspringen.

Sindsdien zijn er veel nationale en internationale initiatieven om het gedrag van banken aan banden te leggen, perverse prikkels te vermijden en hun handel en wandel meer dan voorheen bloot te leggen en controleerbaar te maken.

Centrale bankiers, die de belangrijkste toezichthouders zijn en het monetaire beleid bepalen, hebben terecht gewaarschuwd voor een kakofonie van wet- en regelgeving. Het was beter te wachten op de nieuwe kapitaalseisen voor banken, die door het Bazelse Comité, de club van centrale bankiers, worden opgesteld. Dit Bazel-3 akkoord moet zijn twee voorgangers vervangen. Moderner, flexibeler, meer ingesteld op het moderne bankieren, zo moeten de nieuwe regels worden. Mochten er dan nog hiaten zijn of toezichtskwesties die buiten de competentie van ‘Bazel’ vallen, dan kunnen die op basis hiervan worden opgelost.

Vorige week kwam het comité met zijn voorstellen. Zoals verwacht worden de eisen aan het eigen vermogen, de buffer van een bank tegen verliezen, opgeschroefd. Maar wat als eigen vermogen mag meetellen, is flink verruimd ten opzichte van eerdere plannen. Concessies zijn er ook gedaan aan de centrale, ongewogen vermogenseis van 3 procent ten opzichte van het balanstotaal, die eerst hoger was. Bovendien hoeven banken pas in 2018 aan de nieuwe eisen te voldoen.

‘Bazel’ maakt zo de indruk gevoelig te zijn geweest voor de protesten uit de banksector tegen de eerdere, scherpere, voorstellen. De internationale bankvereniging IIF waarschuwde bijvoorbeeld dat te strikte regels 3 procent economische groei en negen miljoen banen zouden kosten – hetgeen een opzichtig staaltje was van bangmakerij.

Het Bazelse proces is nog niet ten einde. Een van de 27 aangesloten landen, vermoedelijk Duitsland, heeft zich nog van stemming onthouden. Het is te hopen dat de toezichthouders de gevoelens bij het publiek, dat de gevolgen van de kredietcrisis moet dragen, niet onderschatten.

De lobbyende commerciële banken dienen intussen te onthouden dat hun sector weliswaar winstgevend moet zijn, maar in wezen dienend is aan de werkelijke nationale en internationale bedrijvigheid. Die bescheidenheid dreigt, nogal voorspelbaar, te verdwijnen met de terugkeer van de winstmarges in de financiële sector. Het is niet de bedoeling dat de toezichthouders wederom in hun schulp kruipen.