Baby en werk gaan wél samen

Volgens Amerikaans onderzoek schaadt een werkende moeder haar kinderen niet. Goed nieuws, zeggen Nederlandse experts. Maar waar zijn de vaders?

Kinderen van moeders die snel na de bevalling weer buitenshuis werken lijden daar niet onder, zo bewezen onderzoekers van Columbia University door de ontwikkeling van ruim 1.000 kinderen te analyseren. Hoewel niet zonder meer toe te passen op Nederlandse baby’s, is die conclusie „verheugend”, zegt psycholoog Saskia de Bel. In haar praktijk merkt ze dat veel moeders zich bezwaard voelen als ze meer dan een kleine deeltijdbaan hebben. „Omdat ze denken dat zij degenen zijn die de volledige verantwoording dragen voor de opvoeding en zorg van de kinderen. Het is positief dat nu bewezen is dat een schuldgevoel niet nodig is.”

De Bel, die in juni het boek Samen uit, samen thuis schreef over het combineren van ouderschap en werk, denkt dat de bevindingen een duwtje in de rug kunnen zijn van de arbeidsparticipatie van vrouwen. „Het is echt bemoedigend dat zelfs in een land waar meer gewerkt wordt en de woon-werkafstanden groter zijn geen negatieve effecten zijn als de moeder werkt.”

Een betere financiële situatie, een gelukkiger moeder en toegang tot betere kinderopvang neutraliseren een eventueel negatieve impact van een afwezige moeder, aldus de onderzoekers. Daarmee distantiëren zij zich van eerdere studies die stelden dat opvang in de eerste maanden schadelijk kan zijn. Zij ontdekten wel dat kinderen met moeders die in het eerste levensjaar weer fulltime aan de slag gaan een licht verhoogde kans op gedragsproblemen hebben. Ook zouden parttime werkende moeders minder snel depressief zijn. Daarom raden zij jonge moeders een baan van maximaal 30 uur aan. „In Amerika is dat een relatief revolutionaire uitspraak”, stelt de Leidse hoogleraar gezinspedagogiek Rien van IJzendoorn.

Hij vindt het interessant dat de auteurs Amerikaanse moeders in feite aanbevelen het Nederlandse voorbeeld van parttime werk te volgen. In de Verenigde Staten werkt 80 procent van de moeders vrijwel fulltime, maar Nederland is kampioen deeltijd. Drie op de vier vrouwen blijft wel werken na de geboorte van het eerste kind, maar slechts een kwart werkt meer dan 28 uur per week.

Hoogleraar Van IJzendoorn is verder niet erg onder de indruk van de bevindingen van Columbia, omdat de onderzoekers het aantal werkuren van moeders centraal stellen. Volgens hem zou juist de kwaliteit en kwantiteit van de opvoeding in en buiten het gezin gemeten moeten worden. De invloed daarvan op de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling is veel belangrijker.

Bovendien is door de manier van onderzoek het onderscheid tussen oorzaak en gevolg niet duidelijk. „De auteurs kunnen wel stellen dat deeltijdwerken tot minder depressieve moeders leidt, maar het kan ook omgekeerd zijn: dat opgewektere moeders vaker kiezen voor deeltijd.”

Maar het voornaamste bezwaar dat verschillende Nederlandse experts hebben is dat het onderzoek de rol van de vaders buiten beschouwing laat. Annemie Schuitemaker, die met haar bureau Career and Kids werkende ouders begeleidt, noemt dit een „heftige tekortkoming”. Van IJzendoorn en De Bel vallen haar hierin bij.

De onderzoekers verontschuldigen zich voor dit gebrek, maar leggen uit dat de invloed van een al dan niet werkende vader moeilijker is vast te stellen. Al is het maar omdat het lastig is een vergelijkingsgroep te vinden met vaders die het eerste jaar van het leven van hun kind thuisblijven. Terwijl het publieke debat over kinderzorg in de VS voornamelijk gericht is op de rol van de moeder, ziet Schuitemaker in Nederland wel een cultuuromslag in de discussie. Al is het maar omdat zij in haar werk steeds meer vaders helpt met het zoeken naar de balans tussen werk en privé.

Van IJzendoorn noemt de relatief geringe deelname van vaders aan de opvoeding echter nog „de ontbrekende schakel in de emancipatie”. „Waarom spreken we nooit over ‘werkende vaders’ en wel over werkende moeders?” Psychologe De Bel benadrukt dat de kwalificatie van dertig uur per week als ideale baan voor moeders opmerkelijk is. „Nederlands onderzoek heeft uitgewezen dat er een omslagpunt wordt bereikt op het moment dat een vrouw dertig uur per week werkt. Dan doen mannen veel meer in de huishouding.”

De vraag blijft of de bevindingen van een Amerikaans onderzoek zomaar op Nederland toepasbaar zijn. De Bel onderschrijft dat wat betreft het inkomen en de psychische gesteldheid van de moeders de resultaten redelijk vertaald kunnen worden. Bij de vergelijking van de kinderopvang heeft ze haar twijfels. Volgens Van IJzendoorn, die kinderopvangcentra in Nederland de afgelopen vijftien jaar onderzocht, is de kwaliteit van de Nederlandse crèches zo fors gedaald dat deze niet meer beter is dan in de VS. „Door de commercialisering van de centra zet die trend de komende jaren door.”