'Architect wil liever een trendwatcher of rockster zijn'

Architectenbureau Neutelings Riedijk, dit jaar winnaar van de Kubus van de Bond van Nederlandse Architecten, maakt gebouwen als sculpturen.

Stoer, sculpturaal en sierlijk tegelijk: dat zijn de gebouwen van het Rotterdamse architecten Willem Jan Neutelings en Michiel Riedijk. Het bureau is dit jaar de winnaar van de tweejaarlijkse Kubus van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). Ze ontwerpen krachtige, expressieve gebouwen – „eigenzinnig en knap gemaakt”, aldus de jury – die al gauw symbool worden voor de plek waar ze staan. Het Scheepvaart- en Transportcollege in Rotterdam is de belichaming van de Lloydpier, hun nieuwe museum in Antwerpen is al vóór de opening een kloek markeringspunt op de weg naar het centrum. „Wij maken publieke gebouwen als sculpturen in de stad”, zegt Neutelings.

De keuze van de BNA-jury voor dit bureau is opvallend, en markeert wellicht een kentering binnen de vakwereld in het denken over architectuur. Neutelings en Riedijk behoren namelijk niet tot het internationale flying circus van architecten als Rem Koolhaas en Zaha Hadid die over de hele wereld spraakmakende ‘iconen’ neerzetten. Weliswaar zijn ze door oud-NAi-directeur Aaron Betsky gevraagd voor een uitbreiding van zijn huidige museum in het Amerikaanse Cincinnati – een project dat nu door de crisis stil ligt – maar verder werken ze vooral in Nederland en België. Momenteel concurreren ze wel met Hadid – en met de Amsterdamse architect Thomas Rau – om de opdracht voor het nieuwe Cultuurforum op het Spui in Den Haag.

De jury waardeert hun bedachtzame manier van ontwerpen en bouwen, waarin „elk ontwerp de tijd en de aandacht krijgt die het verdient”, aldus het rapport. Daarmee schaart de jury zich ook achter de gepeperde kritiek die Neutelings drie jaar geleden op zijn vakgenoten ventileerde, bij een congres over de toekomst van de architectuur. „Koortsachtig zoeken architecten naar het nieuwe en het originele buiten de architectuur, in plaats van erbinnen”, zei hij. „Misschien willen ze diep in hun hart liever geen onderdeel zijn van dat oude, trage vak en verlangen ze naar een sneller bestaan als computerwizard, trendwatcher of rockster.”

Architectuur is volgens hem al vijfduizend jaar, en nog steeds, een ambachtelijk vak „waarin architecten met veel plezier tergend langzaam zware objecten maken die eindeloos lang op hun plek blijven staan.” De naam van het congres alleen al vulde Neutelings met weerzin: ‘Architectuur 2.0’. „Kennelijk is architectuur een soort slechte software, die je om de zoveel tijd moet upgraden.”

Hun gebouwen zijn zeer eigentijds, maar hun werkwijze stoelt op vakmanschap, ambachtelijkheid en het gebruik van ornamenten. „Sinds de Weense architect Adolf Loos in 1908 een lezing gaf met de titel Ornament und Verbrechen (Ornament en Misdaad), is decoratie verdacht”, zegt Neutelings. „In de hoogtijdagen van het modernisme was het helemaal taboe. Toch zie je architecten heel de afgelopen eeuw daarmee worstelen. Zelfs de oer-modernist Mies van der Rohe gebruikte functieloze staalprofielen om zijn gebouwen slanker te laten lijken. Nu zie je overal patronen van bloemen en bladeren opduiken. Wij willen de decoratie en de architectuur opnieuw volledig samen laten gaan.”

Neutelings en Riedijk werken dan ook regelmatig samen met kunstenaars. De gevel van hun gebouw voor drukkerij Veenman in Ede is een gedicht van K. Schippers; de gevels van het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum zijn bekleed met kleurige glazen panelen waarin Jaap Drupsteen, bekend van zijn ontwerpen voor de guldenbriefjes, een reeks klassieke momenten uit de Nederlandse televisiegeschiedenis in glas heeft vervat. Bij het Belastingkantoor in Apeldoorn liet kunstenaar Rob Birza draken in de metalen gevels ponsen. En in Antwerpen heeft beeldend kunstenaar Luc Tuymans subtiel een doodshoofd als een mozaïek in de bestrating van het plein verwerkt.

Hun nieuwste project is het Museum aan de Stroom (MAS), voor de Antwerpse stadsgeschiedenis. Hier worden de collecties samengevoegd van het Scheepvaartmuseum, het Volkenkundemuseum, het Vleeshuis, het Etnografisch museum en de particuliere pre-Columbiaanse collectie Janssen. Het is tien jaar in aanbouw geweest; het wordt nu ingericht en gaat komend voorjaar open. Het is weer een knoeperd, deze zestig meter hoge toren van handgekliefd rood zandsteen uit India die gebouwd is op een landtong tussen het Willemdok en het Bonapartedok. Iedere verdieping draait een kwartslag, waardoor je door een reusachtig spiraal omhoog draait. Iedere draai biedt weer een ander panorama op de stad door de golvende ramen van 5,5 meter hoog. Met het museum wilde het stadsbestuur een impuls geven aan de verloederde havenbuurt, bijgenaamd ‘Het eilandje’. Van buiten is het museum nu inderdaad het onmiskenbare middelpunt; van binnen, zegt Neutelings, „is eigenlijk de stad de tentoonstelling”.