Opa

Mijn opa gaf graag dingen weg. Als ik door zijn woonkamer liep en even stil stond om iets aan de muur te bewonderen, een kunstwerkje van klei dat er al jaren hing en waar ik elk detail van kende, zei hij: ‘Nou, dan neem je het toch mee.’ Hij kon dat een beetje korzelig zeggen, op een toon van: ‘Doe toch niet zo mal, als je dat ding mooi vindt dan stop je het in je tas en we hebben het er niet meer over.’ Ik zei dan dat het juist hier moest blijven, in zijn huis. Sommige spullen horen bij een huis; hier hoorden de berenknuffels, de fotocollages, het dikke hoogpolige tafelkleed waarin ik tijdens een spelletje Rummikub lange banen streek met mijn vingers. Zelfs cassis smaakte ergens anders niet hetzelfde als hier. Hij haalde dan zijn schouders op: ik moest het zelf maar weten, hij vond het best. Ik zei een keer gedachteloos dat ik het plaatje op zijn kalender mooi vond, een afbeelding van een schilderij. De jaren daarna bewaarde hij alle kalenderblaadjes en nam ze in kleine stapeltjes voor mij mee.

Tijdens bezoekjes praatte hij niet veel, maar hij was altijd op de hoogte van iedereen. Ik vertelde hoe het met me ging, hij knikte en vertelde nieuws over de rest van de familie. Soms geamuseerd en met lichte, twinkelende ogen, andere keren antwoordde hij als ik doorvroeg over een nieuwtje ongeduldig: ‘Ja, dat wéét ik niet hoor.’ Ik wist dat als anderen bij hem op bezoek kwamen, hij verhalen over mij vertelde.

Hij werd ziek. Zijn longen waren versleten en zouden nooit meer volop werken. De benauwdheid kwam, elke ademteug kostte moeite en er was nooit genoeg lucht. Het tafeltje naast zijn stoel veranderde in een mini-apotheek, een zorgvuldige uitstalling van medicijnen die op verschillende momenten van de dag ingenomen moesten worden. Ik probeerde grapjes te maken over een mogelijk nieuw dubbelleven als dealer; pijnstillers waren er immers genoeg. Maar opa zag zijn wereld krimpen. Eerst moest het fietsen worden opgegeven, daarna het boodschappen doen en het wandelen. Uiteindelijk kluisterde de benauwdheid hem aan huis. Een gezonde geest in een lichaam dat een gevangenis is geworden. Hij zat twee jaar thuis, in zijn stoel, terwijl hij puzzelde of luisterde naar klassieke muziek. De laatste maanden kwam daar het zacht-sissende geluid van de zuurstoffles bij.

Hij maakte er geen geheim van dat het voor hem niet meer hoefde. ‘Wat moet ik hier doen?’ vroeg hij. ‘Ik kan helemaal niets meer.’ Wanhopig probeerde ik iets te verzinnen. Wat zeg je op zo’n vraag? Wat klinkt er op zo’n moment niet belachelijk en futiel? Een thuiscursus Spaans? Een dvd-box Lost? Hoe wek je opnieuw plezier in het leven? ‘Kan ik nog iets voor je doen,’ zei ik uiteindelijk. Nee, hij hoefde niets. Of ik misschien nog een Napoleon-bonbon wilde.

Vrijdag is hij thuis overleden. Ik ben verdrietig. En blij voor hem.