Moeder

Kijkend naar atletiek vraag ik me af of het me raakt. Voel ik ergens in mijn lijf een tinteling die wijst op enige opwinding? Word ik geboeid door de extreme bewegingen van de lopers, springers en werpers? Is dit waar ik naar verlang om gelukkig te worden? Voel ik bij het aanschouwen van deze ongebruikelijke lichaamsinspanningen iets dat op genot duidt? Of verlang ik te veel van de moeder aller sporten?

Dankzij mijn verrijkende haptonomische ervaringen voel ik dat mijn zintuigen niet of nauwelijks worden geraakt. Mijn lichaam en ziel blijven onberoerd. Alleen bij de marathon voel ik iets. Omdat ik zelf ook lange afstanden hardlopend probeer te overbruggen. Ik voel mee met de lopers, herken de grimas, de pijn, de kramp, het zuurstofgebrek, de uitzichtloosheid, de leegte en de opluchting – het hemelse genot van voltooiing.

Bewondering en verwondering vechten met elkaar wanneer ik mannen en vrouwen zie kogelslingeren, hinkstapspringen en snelwandelen. Krachtige en machtige jonge lijven, misvormd door de vele oefenuren, in de hoop er een kampioenschap door te winnen of een medaille omgehangen te krijgen in een stadion vol juichende bewonderaars. Zoveel aandacht en streling van het ego, door toeschouwers en media, dat moet wel het ultieme geluk zijn.

De een loopt het snelst van allemaal, de ander springt het hoogst of het verst, weer een ander schept er genoegen in een kogel aan een ketting zo ver mogelijk van zich af te gooien. Dan zijn er mensen die zo snel mogelijk willen wandelen. Maar wandelen is toch een vorm van meditatie en bezinning? Waarom dan zo’n haast?

Norbert Elias en Eric Dunning, twee sociologen, geven in hun historische boek Sport en spanning, de zoektocht naar sensatie in de vrije tijd helaas geen directe verklaring voor de toevlucht tot buitensporige sporten als kogelslingeren, hinkstapspringen en snelwandelen. Ik vermoed dat het middelen zijn om te tonen waartoe een mens in staat is. Om met deze wetenschappers te spreken: „Op zoek naar de opwinding die in het dagelijks leven steeds minder voorhanden is, of misplaatst is, wordt juist in de sport vaak gevonden wat mensen bevredigt.”

De beste kogelslingeraars, snelwandelaars en hinkstapspringers komen uit verre, vreemde landen, daar waar men weet dat deze inspanningen het land aanzien geven. Of de lijven van de winnaars nu onooglijk fors door de spierontwikkeling of onooglijk dun door de Spartaanse trainingen zijn, het gaat om succes en aandacht. Altijd. Ego is een valkuil.

Een gezonde geest in een gezond lichaam, mens sana in corpore sano, zo werd al in de Romeinse tijd geopperd. Als praktiserend sporter die zijn hoofd samen met meditatie gezond probeert te houden, geloof ik er in. Maar dit, zoals dat op de Europese kampioenschappen atletiek te zien was, stemt mij tot reflectie. Stellen we ons voor dat in ons dorp een kogelslingeraarster woont. Zij is gespierd, maar ook (te) dik. Ze stopt zichzelf vol met aanvullende voedingsmiddelen of wat dan ook. Gisteren heeft zij de Europese titel veroverd. Morgen wordt zij door de koningin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Ze wordt op een boerenkar door het dorp gereden en toegejuicht. Zijn we dan trots? Is zij een rolmodel? Wat betreft betoonde discipline zeker. Maar een kogelslingeraarster als dorpsheld, als een dochter van de moeder aller sporten?

Wilfried de Jong is op vakantie