Minderheidskabinet is echt geen ramp

De stabiliteit van een minderheidskabinet van CDA,VVD en PPV staat of valt met de chemie tussen die partijen, meent Rinus van Schendelen.

De opinievorming over de mogelijke vorming van een minderheidskabinet VVD en CDA met gedoogsteun van PVV is in volle gang, dus ook de vorming van voorbarige opinies. De volgende harde feiten, kengetallen en gegevens kunnen bezinning brengen.

In ons stelsel regeert elk kabinet, ook van een minderheid, altijd alleen zolang het steun krijgt van een parlementaire meerderheid. Of deze vast of wisselend is, doet er niet toe. In het huidige geval met de PVV gaat het om halfvaste, dus meer dan wisselende steun.

Regeren per wisselende meerderheden komt veel voor. In ons omringende landen wordt herhaaldelijk geregeerd per min of meer wisselende meerderheden, uit noodzaak die permanent is (Deense minderheidskabinetten sinds de jaren 70) of incidenteel. Dit incidentele ‘overspel’ bestaat ook in ons land. Op lokaal niveau (waar tussentijdse verkiezingen regulier ontbreken) regeert menig college halverwege zijn rit op die manier. Op het Binnenhof is het niet anders.

Een vaste kabinetsmeerderheid is niet per se stabieler dan een wisselende. Van de 27 kabinetten vanaf 1945, alle met een vaste meerderheid, hebben slechts zeven de rit vol gemaakt, de overige twintig vielen voortijdig; de gemiddelde kabinetsduur is 2,4 jaar. Tot de volhouders behoorde het kabinet- Van Agt I, dat de zeer krappe meerderheid van 77 zetels had, één meer dan wat met inbegrip van de gedogende PVV nu in gesprek is. Het daarop volgende kabinet-Van Agt II bezat het grootste zeteloverschot ooit (109 zetels), maar duurde geen negen maanden. De verklaring van het paradoxale contrast tussen deze beide kabinetten telt veel factoren, zoals de diversiteit van partijpolitieke kleuren, de chemie tussen personen en de noodzaak tot samenwerking. Onze vele gevallen kabinetten maken trouwens dat van de 65 regeringsjaren sinds 1945 er bijna dertien (20 procent van de tijd) demissionair zijn. Deze in vergelijking met andere landen extreem lange tijd zonder volwaardige regering gaat naar verkiezingscampagnes en formatiepogingen.

Regeren per min of meer wisselende meerderheden heeft vooral vijf effecten. Indien, zoals nu, een vaste meerderheid lijkt te ontbreken, maakt het de regering stabieler. Van de partijpolitieke verhoudingen haalt het de scherpe kantjes af, want vrijwel elke partij kan dagelijks winnen of verliezen en gaat dus geven om te kunnen nemen. Het bevordert een regeerakkoord op hoofdlijnen, dat ruimte biedt voor aanvullende steun. Meestal resulteert het ook in breder parlementair draagvlak omdat dan, zoals in de jaren 2003-05, meer oppositiepartijen dan strikt nodig meedoen, wat gunstig is voor de maatschappelijke verhoudingen. Tot slot maakt het de parlementaire processen belangrijker en opener dan bij een vaste meerderheid die de teerling vooraf werpt.

Garantie dat een minderheidskabinet met gedoogsteun stabiel zal zijn, bestaat uiteraard net zo min als voor een meerderheidskabinet, zoals de cijfers boven tonen. Veel hangt nu af van de kwaliteit van zowel het regeerakkoord tussen VVD en CDA als hun gedoogakkoord met de PVV. Veel belangrijker dan zulk papier dat door onvoorziene gebeurtenissen snel achterhaald kan zijn, is de chemie van het vertrouwen in en de belangenmenging met elkaar. Zo zal de PVV zich moeten inspannen om bij de provinciale verkiezingen op 3 maart 2011 haar positie in de Eerste Kamer te versterken zonder dat dit ten koste gaat van VVD en CDA. Open vraag is of de politici van de drie partijen voldoende in die benodigde chemie kunnen en zullen investeren. Een vergelijkbare vraag geldt voor de overige partijpolitici, die onderling en met die drie partijen een creatieve relatie moeten leren opbouwen. Velen zullen het oude politieke metier hoe chemie, compromis en consensus te vormen, moeten herontdekken.

Dat bovenstaande nu, in elk geval tijdelijk, actueel is, is te danken aan informateur Lubbers, de onbetwiste kopman van kabinetstabiliteit in ons land. Bedoeld of onbedoeld speelt hij, anders dan zijn voorgangers, niet de ‘gezant van hogerhand’ die het formatieproces bepaalt en dus compliceert, maar is hij hooguit ‘klusjesman’ (bijnaam van Louis Beel) die de partijleiders zelf aan het werk zet. Zo ging het tot voor enkele decennia ook bij ons en gaat het in omringende landen. In Duitsland formeerden Merkel en Westerwelle zelf vorig najaar in drie weken en in Groot-Brittannië deden Cameron en Clegg dit recent in vijf dagen; in België zijn De Wever en Di Rupo zelf bezig met hun formatie die, veel complexer dan de Haagse, voor de benodigde grondwetswijziging een tweederde meerderheid vergt. In contrast: het kabinet van VVD, CDA en PVV, dat hun partijleiders zelf nu wel mogelijk achten, verklaarden de informateurs Rosenthal en Tjeenk Willink vier weken lang onmogelijk. Pechtold (D66) wil nu dat de Tweede Kamer op 4 augustus kritisch debatteert over het actuele formatieproces. Moge hij dan de verstorende rol van zulke informateurs aan de orde stellen en Lubbers prijzen. Politieke partijen zelf zijn toch de eigenaren van het formatieproces?

Rinus van Schendelen is hoogleraar politicologie aan Erasmus Universiteit Rotterdam.