Ik weet waaraan je denkt

Over gedachten lezen. Dat komt behoorlijk veel dichterbij, schrijft neurowetenschapper Victor Lamme in zijn fascinerende boek De vrije wil bestaat niet. Onderzoekers kunnen best al goed zien waar iemand aan denkt: „Proefpersonen krijgen een set van bijvoorbeeld tien plaatjes te zien. Voor ieder plaatje wordt het patroon van hersenactivatie dat erbij hoort opgemeten. Vervolgens worden de plaatjes nog een keer vertoond, maar nu zonder dat de onderzoeker weet welk plaatje de proefpersoon krijgt voorgeschoteld. Aan de onderzoeker vervolgens de taak om daarachter te komen. Kan hij aan het patroon van activatie zien welk plaatje de proefpersoon voor zijn neus heeft?”

En ja hoor, dat lukt de onderzoeker. Nu denk je dan, flauwe boel, plaatjes eerst opnemen en iemand er dan nog eens naar laten kijken – noem je dat gedachten lezen? Ik niet.

Maar het gaat verder. Onderzoekers kunnen ook zien of de proefpersoon vergelijkbare plaatjes bekijkt – als ze eerst de patronen hebben opgenomen die horen bij het kijken naar zulke plaatjes.

Ook dat overtuigt nog niet erg: er moet toch eerst een blauwdruk worden gemaakt.

Nog beter dan: onderzoekers komen er ook heel ‘behoorlijk’ uit (wat behoorlijk in dit verband precies voor soort score is weet ik niet) als ze patronen gebruiken van een andere proefpersoon.

En nóg verder gaat het al: van de ‘voxels’ in de hersenen (kleine hersengebiedjes) kan worden bepaald wat voor bijdrage ze leveren aan het beeld dat iemand ziet en dan kunnen die voxels vervolgens afgelezen worden en op die manier kan ‘ieder willekeurig plaatje’ worden opgebouwd, „net zoals de pixels op een computerscherm elke willekeurige afbeelding kunnen laten zien”.

Dat is bijna alsof een camera iemands gedachten opneemt, schrijft Lamme.

Oeioeioei. Enge boel.

Vorige week schreef filosofe Stine Jensen een stuk in deze krant over onze afluistercultuur. Dat we het zo heerlijk vinden om iemand ergens op te betrappen – als een publieke persoon bijvoorbeeld er geen erg in heeft dat de microfoon al of nog aanstaat en dan iets onparlementairs zegt. Heerlijk!

En stel je voor, schrijft ze, dat je een microfoontje zou kunnen plaatsen in de auto van de vrienden die zojuist bij je op bezoek geweest zijn en die de avond evalueren. Dat zou gemakkelijk de vriendschap kunnen opblazen. Want wat de mensen dan zeggen!

Ze vraagt zich af, en dat is een cruciale vraag, of dit praten als men zich onbespied en onafgeluisterd waant, de ‘echte gedachten’ laat zien, iemands ‘ware ik’.

Die termen gebruikt Lamme ook. Ons ‘ware ik’. Als we in de hersenen zouden kunnen zien wat iemand zou doen in een noodsituatie bijvoorbeeld, of hij er écht tussen zou springen als hij ziet dat hooligans een homo in elkaar slaan, dan zou dat ons iets zeggen over ‘hoe iemand werkelijk is’.

Nu kan dat nog niet. Hoe de onderzoekers ook met voxels en plaatjes in de weer zijn, dat blijven tamelijk eenvoudige taakjes vergeleken bij de talloze afwegingen en mogelijkheden in de praktijk. Ik denk eerlijk gezegd dat je nooit helemaal zult kunnen voorspellen wat iemand zal doen omdat de hersenen dat ook niet weten: ook het brein kan niet in de toekomst kijken en de situatie zoals die zich dan voordoet beoordelen. De werkelijkheid is enorm vindingrijk als het gaat om onvoorziene omstandigheden.

En dan nog: is iemands ‘ware ik’ gelegen in wat hij doet in een noodsituatie? Nee natuurlijk. Als er überhaupt al zoiets zou bestaan als ‘een ware ik’, een aanname die me ook nogal romantisch voorkomt. Eerder zou je waarschijnlijk de grenzen van iemands mogelijkheden aan kunnen geven: sommige keuzes zal hij of zij hoogstwaarschijnlijk nooit maken, andere hoogstwaarschijnlijk heel gemakkelijk. De optelsom van alle gedragingen en keuzes, en die liggen bij niemand geheel en al vast want consequent is geen mens, dat is wat we iemands ‘persoonlijkheid’ noemen.

Alleen is het godsonmogelijk om die hele persoonlijkheid te overzien. Voor een buitenstaander zeker, en ook voor degene die het met deze persoonlijkheid moet doen.

Het betrappen van andermans gedachten is blijkbaar zo aantrekkelijk dat ook hersenonderzoekers erover fantaseren. Intussen moeten we maar blij zijn dat het onmogelijk is, al zou je soms best eens even een kijkje willen kunnen nemen in iemands brein. Maar de illusie dat je daar zijn ‘ware ik’ zou aantreffen moeten we loslaten.

Er zijn trouwens wel personen van wie we de gedachten behoorlijk goed kunnen lezen. Romanpersonages. Als er iets is wat in de buurt komt van het gedachten lezen of het afluisteren via de geheime microfoon, dan is het wel het lezen van een roman. Je bent in allerlei situaties bij iemand, je kent zijn of haar angst, gemoedsbewegingen, overwegingen – en soms zie je ook hoe al die overwegingen op het moment suprème er geen barst toe lijken te doen: de vrouw valt toch de man in de armen die haar slecht behandeld heeft, de jongen steelt toch het geld van zijn beste vriend, de verslaafde grijpt na een succesvolle afkickperiode toch weer naar de middelen die haar te gronde zullen richten.

Het is zeker ook daarom dat we romans lezen.

Ik wil niet zeggen dat je beter romans kunt lezen dan hersenonderzoek doen. Misschien is het eerder zo dat onze fantasie of ons verlangen er ‘van nature’ (zulke woorden worden ook steeds minder ongecompliceerd) sterk op gericht is te weten wat zich in het hoofd van iemand anders afspeelt. Zo sterk dat onderzoekers ook over ‘het ware ik’ gaan spreken en proberen gedachten te lezen. Alsof de werkelijkheid redelijk ongecompliceerd zou zijn.

Reageren kan op nrc.nl/vos. Vermeld altijd uw volledige naam. (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)