Bretonse historie schuilt in verhalen

Deze zomer reizen onze correspondenten langs een grens – een echte, een culturele, een historische of een denkbeeldige – in hun gebied. De Bretonse marken vormden lang een weggegumde, ondergrondse grens in Frankrijk.

Vanuit een plastic stoel in de schaduw van haar kasteel wijst mevrouw Lionelle de Lézardière naar de rand van Bretagne. „Het koninkrijk Frankrijk begint op drie kilometer van hier”, zegt de hoogbejaarde kasteeldame met een blik op het noorden.

Ineens zijn we in de Middeleeuwen, na een dag dwalen tussen Nantes en Rennes, richting het zuiden. Halverwege de twee West-Franse steden hebben we een bord gezien: ‘U betreedt het departement Loire-Atlantique. Welkom in historisch Bretagne’.

Volgens de bestuurlijke indeling van de Franse republiek verlieten we Bretagne juist op dat moment.

Een paar kilometer verder lag het kasteel, niet vanaf de weg te zien, omgeven door bos en vijvers, bewaakt door vrije geiten en blije honden. Aan het einde van de middag zou kasteeldochter Pauline de Lézardière ons een pas ontdekt pad laten zien, opgegraven uit de vijftiende eeuw. „Kijk eens wat een prachtige stenen. Als nieuw”, riep ze uit.

In huize De Lézardière doet men niet aan onderscheid tussen geschiedenis en heden. De grenzen van Bretagne vervagen hier. Enkele eeuwen verder is Madame alweer trots dat de Franse koning Charles VIII en zijn echtgenote Anne de Bretagne bij haar thuis logeerden.

Dat was in 1497. Heer Pierre de Rohan had het kasteel juist laten herstellen na gevechten tussen Bretonse en Franse strijders, en de naam gegeven die op onze kaart staat, La Motte Glain. Half fort nog, maar ook al een beetje Renaissance, en flink wat boerderij, in het groot.

Waar in Frankrijk houdt Bretagne op? Met die vraag gingen we op pad, in een driehoek van drie keer 18 kilometer bij het stadje Chateaubriant.

Maar de cruciale vraag bleek een andere: wat is een grens? In dit hoekje van West-Europa, door de Middeleeuwen getekend, is dat nooit een scherpe dunne lijn geweest, legt Jean-François Gaudin (23) uit op de eerste verdieping van het kasteel van Chateaubriant.

De student geschiedenis in Parijs is deze zomer teruggekeerd naar zijn geboortestreek om een tentoonstelling te beheren over ‘De Marken van Bretagne’. Die naam hoort bij een strook van 300 kilometer historisch niemandsland van de Mont Saint Michel in Normandië tot het Ile de Noirmoutier onder Nantes.

Tussen de negende en vijftiende eeuw richtten heren van het onafhankelijke hertogdom Bretagne en het Franse koninkrijk tientallen vestingen op om elkaar op afstand te houden. Een bufferzone van zo’n twintig kilometer grijs gebied vormt de vergeten grens tussen Bretagne en Frankrijk. Groene heuvels, met bossen en meren, graan, maïs en kastelen.

Aan andere randen van het Karolingische rijk leverden zulke marken eigenzinnige streken op als Spaans Baskenland, en in Duitsland Beieren en het Saksische noorden. De Bretonse mark is de enige buffer die dwars door Frankrijk sporen heeft getrokken.

„We kennen onze geschiedenis slecht”, zegt de verhuurder van chambres d’hôtes ‘Les Marches de Bretagne’ dertien kilometer verderop. Jacqueline Nicol noemt zich een „echte Bretonse”, maar soms wordt ze door gasten van Rennes en verder uitgelachen. „Dan leg ik uit dat dit het front is waar voor Bretagne gevochten is.” Nicol gelooft in de „Bretonse ziel”, die voort bestaat ondanks langdurige Franse „onderdrukking”. Haar grootmoeder werd op school nog verboden Bretons spreken. Juist in een grensstreek moet je het verleden koesteren, zegt Nicol. „Hier leren we de wortels van onze identiteit kennen”.

De Bretonse marken vormden lang een weggegumde, ondergrondse grens in Frankrijk. Ook in grenskastelen gaat het Bretonse verleden vaak schuil onder een laag verhalen over andere historische oprispingen. De Franse revolutie is minder omstreden dan de herinnering aan Bretonse opstandigheid. In het grensstadje Ancenis aan de Loire wordt anno 2010 nog geruzied over de afbraak van een Bretons kasteel om ruimte te maken voor een net republikeins overheidskantoor.

Toch is er ook een beweging op gang gekomen om de Bretonse marken te herontdekken. Acht stadjes waaronder Chateaubriant werken aan een historische kastelenroute, en er loopt een aanvraag voor erkenning als werelderfgoed van de grenslijn. „Nu de Bretonse beweging voor politieke onafhankelijkheid helemaal verdwenen is, krijgt de culturele waardering voor het Bretons-Franse grensverleden meer ruimte”, zegt Jean-François Gaudin.

Het moet gezegd, de mark leent zich goed voor de historische ervaring te voet. Een Middeleeuwse grens betekende kilometers vrijelijk door velden en bossen lopen voordat je een fatsoenlijke vijand tegenkwam. En in de bufferzone werd ook gehandeld, onderhandeld. De markt van Béré in Chateaubriant, elk jaar in september, gaat terug tot de tiende eeuw.

Onderweg weten de meeste mensen nu niet wat een mark is, laat staan dat zij er in wonen. Maar volgens Jean-François Gaudin heeft de streek nog altijd een grensidentiteit: een meng-zijn. Hij leerde van zijn ouders dat hij een ‘Gallo’ is: „niet puur Bretons zoals ten westen van Rennes, maar ook niet volop Frans, zoals ten oosten van Angers. Onze taal, onze cultuur ligt er tussenin.”

Achttien kilometer naar het oosten, in Pouancé, leggen we een vraag voor aan Romain Breget (22). Zijn familie woont sinds generaties in het buurdorp van Chateaubriant. Is hij Bretons? Abrupt veert hij op. „Nee, ik ben juist Angevin. Wij van Anjou vochten tégen de Bretonnen.”

Breget gaat zo een groep schooljongens rondleiden door de resten van het kasteel van Pouancé. Hij zal de kinderen niet vertellen dat hier in 1488 de beslissende veldtocht begon die het einde zou inleiden van de Bretonse onafhankelijkheid. „We gaan de kleine Fransmannetjes niet meteen indoctrineren”. Hij knijpt zijn ogen dicht en wijst de kinderen in de verte. „Eeuwenlang vochten we hier tegen de vijand: de heer van Chateaubriant…”

In een kuil op de binnenplaats graven jongeren uit Korea, Rusland en Griekenland centimeter voor centimeter naar het Franse verleden.