Het recht op water

Al in 2008 heeft Nederland water en sanitaire voorzieningen als een mensenrecht erkend. Dat gebeurde bij een zitting van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève. Het is dus opmerkelijk dat Nederland deze week tot de 41 landen behoorde die zich in de Algemene Vergadering van de VN in New York onthielden van stemming over een resolutie waarin „veilig en schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen” tot mensenrecht werden verheven.

Ook bij diverse andere gelegenheden hebben leden van de Nederlandse regering water als een mensenrecht opgevoerd. Zo zei premier Balkenende op een symposium aan de TU Delft: „Water is van levensbelang. De toegang tot veilig drinkwater is daarmee een mensenrecht. Wat mij betreft erkennen we dit zo snel mogelijk.”

Een combinatie van formele en politiek-strategische overwegingen bracht Nederland ertoe om, net als bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, niet voor de resolutie te stemmen, die door Bolivia was ingediend. Zo zou de resolutie te weinig de nadruk leggen op de eigen verantwoordelijk van regeringen voor hun waterbeleid, de discussie erover bij de Mensenrechtenraad bemoeilijken en het thema tegelijkertijd onnodig politiseren. Ook meent Nederland dat de Algemene Vergadering van de VN niet het orgaan hoort te zijn dat zich op deze wijze over internationale wetgeving voor mensenrechten uitspreekt.

De resolutie werd aangenomen met 122 stemmen voor en 0 stemmen tegen. Zij heeft geen bindend karakter. Wel is het recht op water al in diverse internationale verdragen opgenomen. De belangrijkste verdienste van de resolutie is dan ook vooral dat zij het reusachtige probleem dat gebrek aan schoon (drink)water voor de wereld betekent, opnieuw onder de aandacht brengt.

Dat water een mensenrecht is, kan moeilijk voor discussie vatbaar zijn. Artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die in 1948 door de Algemene Vergadering werd aangenomen, begint zo: „Een ieder heeft recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging [..].” Water hoort hier vanzelfsprekend bij. Dat het toekennen van een mensenrecht nog iets heel anders blijkt te zijn dan de naleving ervan, hoeft geen betoog.

Dat Nederland om voor niet door iedereen te doorgronden redenen tegen de resolutie stemde, is één ding, maar laat onverlet dat belofte schuld maakt. Als bijdrage aan de ‘Millennium Ontwikkelingsdoelen’ van de VN heeft de Nederlandse regering toegezegd ervoor te zorgen dat 50 miljoen mensen in 2015 toegang tot schoon water en sanitaire voorzieningen is verschaft. In twintig landen, vooral in Afrika, houdt Nederland zich bezig met waterprojecten. Bij alle begrijpelijke discussies over de omvang van het budget voor ontwikkelingssamenwerking moet dus vooral niet uit het oog worden verloren dat schoon water een te eerbiedigen mensenrecht is.