Wie beslist dan wie te dik is voor ivf?

Heel nobel, die nieuwe ivf-richtlijn. Maar met een rechtvaardige maatschappij heeft deze niets te maken, aldus Eric Schliesser en Sarit Y. Lesnik Oberstein.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer
Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Er was een korte periode waarin aan eugenetica, letterlijk goede genetica, een kwade reuk heerste. Nu vervalt de hoogopgeleide medicus weer in de oude en ongelukkige rol van hoeder van het welzijn van onze soort. Wie wil immers niet dat kinderen opgroeien bij twee gezonde en gelukkige ouders? Zo zou men de voorgestelde richtlijn van de NVOG, de beroepsvereniging van gynaecologen, waarmee artsen onvruchtbaarheidsbehandelingen kunnen weigeren aan vrouwen die aan de drank zijn, te dik, depressief, geestelijke gehandicapt of alleenstaand het meest welwillend kunnen begrijpen. De uitgeslotenen leven blijkbaar op een manier waarvan de zelfbenoemde elite niks moet hebben.

In haar bijdrage (Opiniepagina, 24 juli) stelt Marli Huijer, filosoof en arts, terecht dat de nieuwe norm eerst eens „goed onder woorden gebracht moeten worden...voordat artsen en samenleving zonder meer alles in het werk stellen om via ivf alleen nog gezonde kinderen voort te brengen.” Maar een strategie van traineren is hier veel te voorzichtig en beleefd. Er moeten heel gerichte vragen gesteld worden. Wie beslist wie te dik of wie te lang alleenstaand is? Is een combinatie van factoren voor uitsluiting nodig, of kan men met een pondje te veel al geweigerd worden? En wie beslist hoe lang je op het juiste lichaamsgewicht bent? Studies laten zien dat het welzijn van kinderen ook geschaad kan worden door te veel tv in de prille jeugd. Misschien moeten we de norm van de medici dan wel aanscherpen? Komt men na de bevalling bijhouden of je wel snel genoeg terug op gewicht bent, of de tv aanstaat, of een peukje hebt liggen? De sociale diensten komen in Nederland al heel makkelijk het huis van pasgeborenen binnen. Gaan we die tijd tot het achttiende jaar verlengen?

Vermoedelijk is aan de nieuwe richtlijn veel studie en discussie voorafgegaan. De meeste genoemde criteria die tot uitsluiting leiden zijn bekende risicofactoren die bij ivf tot verminderde slaagkans en extra kosten kunnen leiden. Maar het is duidelijk dat de gynaecologen ook naar ‘de welzijn van het toekomstige kind’ hebben gekeken. Het is een nobel streven dat voorvloeit uit goede bedoelingen. En gezien het feit dat de criteria onbedoeld misschien disproportioneel armen en laagopgeleiden zullen treffen, kunnen we stellen dat de gynaecologen vooral kinderen bij de welgestelden wensen. De richtlijn zegt dan ook alles over het denken van deze groep hoogopgeleide experts over wat gelukkig maakt, maar te weinig over de basisprincipes van een rechtvaardige en gezonde maatschappij.

Het is trouwens betreurenswaardig dat het pleidooi van Marli Huijer vooral oog heeft voor de mogelijke ‘sociale gevolgen’ van de richtlijn en dat ze ivf lijkt te begrijpen in het kader van de gezinsideologie. We lezen tussen de regels van haar betoog door een relativering op het recht op het krijgen van een kind. Zij en medisch ethicus Heleen Dupuis hebben terecht aarzeling bij een gezinsideologie die het moederschap van vrouwen vereist. Misschien zal een aantal depressieve en dikke vrouwen samen met hun partners een kindje verlangen omdat ze bevangen zijn door een valse gezinsideologie. Maar ook achter ideologieën kunnen heel normale en gerechtvaardige verlangens schuilen.

Wie het welzijn van het kind in gevaar brengt, is inmiddels het grootste monster van onze tijd. We kunnen spreken over een sacrale houding tegenover het weerloze en pure dat kindjes worden geacht te hebben. Juist doordat dit misschien wel het enige, gedeelde absoluut morele in onze maatschappij is, moeten we waken tegen de manier waarop de zelfbenoemde kinderbeschermers hun macht gebruiken om hen die de kwetsbaarheid van het ideaalbeeld van geluk tarten te straffen.

Onlangs is in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam aan oudere (alleenstaande) vrouwen de mogelijkheid geboden om hun eicellen in te vriezen voor later gebruik. Bij deze vrouwen werd het gewicht noch de mate van tevredenheid gedefinieerd om hiervoor in aanmerking te komen. Het zou wel wrang zijn als deze mooi ingevroren eicellen van deze vrouwen later afgekeurd worden omdat de vrouw nog altijd alleenstaand is.

Dr. Sarit Y. Lesnik Oberstein is stafarts in het Academisch Medisch Centrum Amsterdam. Prof. dr. Eric Schliesser is als filosoof verbonden aan de Universteit van Gent.