Recht van kind is sterker dan recht op een kind

Ooit was onvruchtbaarheid bepalend voor het recht van vrouwen op ivf, nu het welzijn van het kind. Dat is niet zonder gevaar, meent Marli Huijer.

Dokters zijn er om te helpen. Daarom wilden Nederlandse artsen niet achterblijven toen in 1978 in Groot-Brittannië de eerste reageerbuisbaby werd geboren. Ook zíj wilden vrouwen die onvruchtbaar waren helpen aan het kind dat ze zo graag wilden. Vrouwen werden opgeroepen zich aan te melden als ze voor ivf in aanmerking wilden komen. De kans op succes was weliswaar nog klein, maar dat weerhield medici er niet van om iedereen welkom te heten. Ook, zo bleek later, als niet de vrouw maar de man onvruchtbaar was.

Onlangs trok de NVOG, de beroepsvereniging van gynaecologen, een streep door die algemene toegang. In een modelprotocol formuleerde zij richtlijnen waarmee artsen onvruchtbaarheidbehandelingen kunnen weigeren aan vrouwen die aan de drank zijn, te dik, depressief, geestelijke gehandicapt of alleenstaand. ‘Helpen’ is opnieuw het belangrijkste motief, maar de zorg richt zich nu niet op de onvruchtbare vrouw, maar op het welzijn van het toekomstige kind. Alcohol, overgewicht of alleenstaand ouderschap kunnen het welzijn van het toekomstige kind bedreigen. Dat is niet langer acceptabel, vinden de gynaecologen.

Op het eerste gezicht lijkt de NVOG met deze richtlijnen een nieuwe weg in te slaan. Na meer dan een kwart eeuw gaat het ‘ja, tenzij’-beleid, dat elke vrouw recht geeft op ivf tenzij er medische contra-indicaties zijn, op de schop. In plaats daarvan komt een beleid dat artsen steunt om bij twijfel over het welzijn van het toekomstige kind ivf te weigeren. Psychosociale overwegingen zullen in die beoordeling expliciet worden meegenomen.

Zijn artsen daarmee voor God aan het spelen? Doen ze iets wat ze eerder niet deden? Dat denk ik niet.

Ivf is van begin af aan geen sociaal neutrale praktijk geweest. Medische overwegingen zijn steeds vermengd geweest met sociale overwegingen.

Een van de eersten die daarop wees, was medisch ethicus Heleen Dupuis. In een kritisch commentaar op de geboorte van de eerste reageerbuisbaby in Nederland, in 1983, stelde zij dat ivf onvruchtbaarheid tot een ziekte maakte. Ten onrechte, meende ze, want vrouwen die om ivf vragen zijn niet ziek, maar doen dat omdat de samenleving dat van hen verwacht. Ze worden geacht moeder te worden. Ivf ondersteunde volgens haar de gezinsideologie die in Nederland hoogtij vierde.

Medische technologieën, zo laat de geschiedenis van ivf zien, veranderen de sociale normen voor wat ziek of gezond is, normaal of abnormaal, en hebben daardoor invloed op het gedrag en de moraal.

De sociale norm dat onvruchtbaarheid een ziekte is, heeft het vrouwen (en mannen) moeilijker gemaakt om een leven zonder kinderen als een goed leven te zien. Kinderen krijgen hoort erbij, onvruchtbaarheid hoeft niet te worden geaccepteerd. Het krijgen van kinderen is zelfs een recht geworden, dat in verdragen is vastgelegd.

Toch geldt dat recht niet voor iedereen: lesbische stellen en alleenstaanden zijn van begin af aan minder of niet welkom geweest in ivf-centra.

Ook op andere gebieden dan ivf brengen medische technologieën sociale veranderingen teweeg. Zo heeft echoscopie ertoe geleid dat de ongeboren vrucht al in een vroeg stadium van de zwangerschap als een mens wordt beschouwd. Daardoor wordt wat vroeger een miskraam heette, nu een dode baby genoemd. Een ander voorbeeld zijn de prenatale genetische testen waardoor het krijgen van kinderen met een erfelijke afwijking niet langer een noodlot of toeval is, maar een bewuste keuze van de ouders.

Als technologie de moraal inderdaad zozeer verandert, staan we dan niet machteloos tegenover technologie? Is de mens de grip op technologie kwijt? Worden wij in plaats daarvan overheerst door technologie?

Het beeld van overheersing is te simpel. Mens en technologie staan niet tegenover elkaar, ze zijn eerder afhankelijk van elkaar. Ze hebben een dynamische relatie, die, om met de filosoof Tsjalling Swierstra te spreken, verdacht veel weg heeft van een huwelijk. In een goed huwelijk staan beide partners open voor elkaars inbreng, ze leren van elkaar en halen het beste in de ander naar boven.

In het geval van ivf betekent dit dat technologie een gesprekspartner is die even serieus moet worden genomen als de mens, maar ook niet meer dan dat. Zolang de normen die voor ivf worden aangevoerd – onvruchtbaarheid is een ziekte, een leven zonder kinderen is geen goed leven, en kinderen krijgen is een recht – niet worden afgezet tegen andere normen, zal het artsen niet of slechts met moeite lukken om ivf te weigeren. Want waar vrouwen weten dat het krijgen van een kind een recht is, en dokters niets liever willen dan helpen, is het weigeren van ivf een vrijwel onmogelijke zaak. Het voorstel van de NVOG om dat door een multidisciplinair team te laten doen op basis van risicofactoren voor het toekomstige kind, zal daarin geen verandering brengen.

Waar eens onvruchtbaarheid bepalend was voor het recht op ivf zou dat nu het welzijn van het toekomstige kind zijn.

Maar die nieuwe norm zou, anders dan is gebeurd bij de introductie van ivf, eerst goed onder woorden gebracht moeten worden – wat zullen bijvoorbeeld de sociale gevolgen ervan over 25 jaar zijn? – voordat artsen en samenleving zonder meer alles in het werk stellen om via ivf alleen nog gezonde kinderen voort te brengen.

Marli Huijer, filosoof en arts, is bijzonder hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en lector filosofie aan De Haagse Hogeschool. Zij publiceerde onlangs met Martijntje Smits de bundel Moralicide. Nieuwe morele vocabulaires voor technologie.