Drie weken alles in dienst van de kopman

De Duitser Grischa Niermann cijfert zichzelf weg om Robert Gesink naar een hoge klassering te helpen. „Ook buiten de koers zijn we vrienden.”

Drie Raborenners draaiden gistermiddag om kwart voor twee de parkeerplaats op van hun hotel in Pau. „We hebben nog even de beklimming van de Marie-Blanque gedaan”, zegt Grischa Niermann. „Boven kwamen we Andy Schleck tegen, dus we waren niet de enigen. Voor de kopmannen is het belangrijk om een dag voor de beslissende bergetappe nog even een klimmetje te doen.”

Logisch misschien dat de kopmannen Robert Gesink en Denis Mensjov stevig trainden op de rustdag voor de zware Pyreneeënrit van vandaag. Maar dat hun Duitse meesterknecht mee ging, tekent zijn belangrijke plaats in de ploeg. Niermann (34) kent zijn taak. „Drie weken lang alles voor de kopman. Als hij gaat pissen? Wachten. Als hij lek rijdt? Wiel afgeven. Als Robert valt in de Ardennen, dan wacht ik op hem. Een dag later op de kasseien weer. Daar denk je niet bij na, dat doe je. Ik cijfer me volledig weg voor Robert en Denis.”

Sinds 2008 heeft hij een bijzondere band met Gesink, die zesde staat in het Tourklassement en uitblinkt in de bergen. „In de eerste Dauphiné van Robert, waarin hij direct vierde werd, kwamen we samen op de kamer te liggen. Vanaf dat moment ben ik me intensiever met hem gaan bemoeien. Het klikt goed. Ook buiten de koers zijn we vrienden. Hij is tien jaar jonger, maar dat past juist goed. Ik kan hem bijstaan met mijn ervaring. Het is een ideale combinatie. Hij heeft er wat aan en ik ook. In deze rol ben ik onmisbaar voor de ploeg.”

De in Hannover geboren routinier zag gistermiddag hoe zijn jonge kopman, de eerste Nederlander in de toptien van de Tour sinds Michael Boogerd, na hun trainingstocht druk was met interviews. „Robert groeit daar in. Hij weet dat het mediacircus erbij hoort. Maar de mensen om hem heen moeten zorgen dat hij er zo weinig mogelijk energie aan kwijt is. De Tour kost al energie genoeg.”

Zelf is hij al acht Tours lang de minst geïnterviewde Rabo-renner, sinds hij in 2000 bij de ploeg kwam. „Ik heb die belangstelling niet nodig”, zegt Niermann in vlekkeloos Nederlands. „In mijn eerste Tour werd ik 24ste, de eerste Duitser na Jan Ullrich. Toen kwam de Duitse pers nog weleens. In die jaren hoopte ik ook een goede klassementsrenner te kunnen worden. Het is er helaas niet uitgekomen. Ik heb moeten inzien dat anderen beter waren. Dus kreeg ik een rol in dienst van Boogerd, Erik Dekker en nu van Robert.”

Ook met kopman Boogerd had hij een goede band. „Ik heb veel voor hem gereden, hij was een renner die net als Robert het hele jaar overal als kopman startte. Boogerd was heel erg gedreven, trainde hard, echt een beest. Dat heeft Robert ook, alleen is hij een ander type renner. Boogerd moest het vooral hebben van de zware klassiekers. Robert is een echte ronderenner. Nederland heeft lang niet meer iemand op zo’n hoog niveau gehad in de bergen van de Tour.”

Wat Gesink zo goed maakt? „Zijn enorme wilskracht. Naast zijn talent, qua lichaam en herstel na inspanningen, kan hij ook verschrikkelijk afzien. Het is zo zwaar om op dit niveau te rijden in de Tour. Kijk naar de aankomst in Ax 3 Domaines. Hij wordt eerst gelost, vecht zichzelf terug en gaat weer op kop rijden. Dat is een teken hoe diep hij kan gaan. Ook een vorm van talent. Iemand als Robert kan dieper gaan dan ik.”

’s Avonds op de hotelkamer keken de twee terug. „Robert was trots op zichzelf, hoe hij had gevochten. Dat gevoel had hij ook na de aankomst op Avoriaz, waar hij in de laatste twee kilometer op kop rijdt van de groep favorieten en ze één voor één moeten lossen. Helaas kwamen Schleck en Sanchez nog voorbij, maar hij bewees bij de allerbesten te horen.”

Volgens Niermann, die de iPod pakt als zijn kopman om tien uur het licht uitdoet, praten ze op de kamer over van alles. Van hun golden retrievers tot de koers. „De laatste dagen merk ik aan hem dat hij heel diep moet gaan om zijn zesde plek vast te houden. En in het begin hadden we het drama in Spa, toen hij was gevallen. ’s Avonds naar het ziekenhuis, laat terug, breukje in de ellepijp. Toen was er de vrees dat het net zo zou gaan als vorig jaar.”

In de vijfde etappe brak Gesink toen zijn pols na een val. Niermann wachtte en duwde zijn kopman naar de finish. Een ferme handdruk was vlak voor de streep zijn deel. „Dat gaf treffend aan hoe onze relatie is. Als hij een probleem heeft, zal ik altijd op hem wachten. Het was wel duidelijk dat hij de finish zou halen, maar op zo’n moment ga ik hem niet alleen laten. Dan blijf je bij hem, duwt hem. Omdat hij mijn vriend is. Hij wist bijna zeker wat hem te wachten stond, de Tour was voorbij. Vandaar ook die hand. Zelfs op zo’n rotmoment vond ik het een mooie blijk van waardering. Daar doe je het toch voor. En dit jaar komt er waarschijnlijk nog wat prijzengeld bij ook.”