'Rawagede' blijft een schandvlek

Slachtoffers van de Shoah ontvangen ruimhartig restitutie, nabestaanden van Rawagede krijgen niks, stelt Harry Veenendaal.

De rechtszaak tegen de Nederlandse Staat van de nabestaanden van het bloedbad in het Indonesische dorp Rawagede, net na de Tweede Wereldoorlog, is formeel van start gegaan. Er is alvast één conclusie mogelijk: de Nederlandse regering meet met twee maten. Terwijl op 9 december 1947 Nederlandse diplomaten in New York werkten aan de totstandkoming van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, werden diezelfde dag de mannen en vrouwen in Rawagede door ‘onze jongens’ van elkaar gescheiden. Ruim 431 mannen werden standrechtelijk geëxecuteerd.

Ondanks deze botte schending van het internationaal recht heeft de Nederlandse regering nooit verantwoording afgelegd of rechtsherstel aangeboden aan de slachtoffers. Voor Nederland als zelfbenoemd gidsland van de mensenrechten is het behoorlijk gênant dat bejaarde nabestaanden van een oorlogsmisdaad anno 2010 hun recht moeten halen.

Het typeert de structurele tegenwerking van de Nederlandse Staat. Uit dossiers blijkt dat zowel in 1948, 1969 als in 1995 expliciet door de regering, de procureur-generaal en het parket van de militaire rechtbank in Arnhem is geweigerd om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar nog (in leven zijnde) verdachten, of bewijsmateriaal te verzamelen. Deze weigering is niet alleen apert onrechtmatig ten opzichte van de nabestaanden, het is in flagrante strijd met de Grondwet en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Terecht hebben de nabestaanden daarom de Staat aansprakelijk gesteld. In een eerste reactie erkent de landsadvocaat dat weliswaar sprake is van een oorlogsmisdaad, maar het feit is verjaard waardoor de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de hand wordt gewezen. Een onzinnige redenering. Op grond van de Wet militair strafrecht zouden de executies in Rawagede verjaren op 10 december 1971. Het toeval wil nu dat op 8 april 1971 deze verjaringsbepaling ten aanzien van oorlogsmisdaden bij wet buiten werking is gesteld. Kort en goed: de verjaring voor Rawagede geldt niet. Maar in zijn meest recente brief aan de nabestaanden betoogt de landsadvocaat tamelijk gekunsteld dat de tekst van de Memorie van Toelichting zo uitgelegd moet worden dat het impliciet de bedoeling was van de wetgever om Rawagede buiten de verjaringsopheffing te houden.

Nog veel schrijnender is het onderscheid dat de Nederlandse Staat maakt inzake rechtsherstel. Sinds 1997 is er veel aandacht voor restitutie van goederen en tegoeden van slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Zo dragen de commissie-Van Kemenade (nazi-goud), de commissie-Scholten (financiële tegoeden) en de commissie-Lankhorst (rechtsherstel homoseksuelen) bij aan herstel van onrecht uit de nazitijd. Bij de behandeling van individuele Holocaustclaims wordt door de Staat uit coulanceoverwegingen afgezien van een beroep op de verjaring. Exemplarisch is de kwestie-Goudstikker. Ondanks dat het gerechtshof in 1999 de vordering van de erven Goudstikker afwees, volgde de Nederlandse regering in 2006 het advies van de Restitutiecommissie op en werd een groot deel van de collectie geretourneerd. Dat staat in schril contrast met de nabestaanden van Rawagede die enkel kunnen rekenen op een kille, snedige afwijzing.

Zelden heeft een rechtsstaat zoals Nederland zich zo schaamteloos nonchalant opgesteld ten aanzien van slachtoffers van een oorlogsmisdaad. Zelfs de Verenigde Staten traden in 1968 tegen de eigen mariniers juridisch adequater op na een vergelijkbaar bloedbad in het Vietnamese dorp My Lai.

H.F. Veenendaal is jurist en columnist van het Advocatenblad.