Hoe de krab een wulk at en andere stranddrama's

Loop langs de vloedlijn met Frank Wesselingh en hij vertelt bij iedere schelp een verhaal.

Op het Noordzeestrand bij Hoek van Holland ligt de oertijd aan je voeten. Een stuk puimsteen getuigt van een vulkaanuitbarsting in de Eifel, 13.000 jaar geleden. Een botstuk komt misschien van een wolharige neushoorn of een mammoet die leefde op een schaars beboste grasvlakte tussen Engeland en de Zuid-Hollandse stranden. Riviergepolijste kiezeltjes van jaspis en kwartsiet zijn vanuit Duitsland meegenomen door de Rijn.

En dan de schelpen. Pantsertjes van weekdieren die nog maar enkele weken geleden leefden, liggen hier tussen fossiele schelpjes die sinds hun dood meerdere ijstijden zijn doorgegaan.

Frank Wesselingh zit op zijn hurken, de ogen speurend over het zand. „De gemiddelde schelp die je vindt op het Noordzeestrand is echt oud”, zegt de geoloog. „Verplaats je eens in de geschiedenis ervan. Vijftig miljoen jaar geleden lag hij in een ondiepe zee ter hoogte van Gent. Daarna is hij meegesleurd door de oer-Schelde, een rivier die machtig en woest was tijdens de IJstijden. Het schelpje is terechtgekomen op de bodem van de Noordzee en bedekt door lagen zeezand, rivierklei en soms veen. Daarna is de schelp losgewoeld door een van de sleephopperzuigers die zand opzuigen dat hier wordt gebruikt ter versterking van de kust. Hij is met een grote boog op het strand gespoten en belandt uiteindelijk in handen van een schelpenverzamelaar.”

In de heiige verte ligt de Maasmonding. Tegen de horizon steekt een boog van zand af die vanaf een sleephopperzuiger op de Tweede Maasvlakte wordt gespoten. Containerschepen varen af en aan. Een vissersboot pendelt op en neer voor de kust, op zoek naar de garnalen en platvissen die de zeebodem afgrazen op uitstekende sifonen. Dat zijn de uitschuifbare buisvormige organen waarmee schelpen water en voedsel naar binnen halen vanuit een verborgen plekje in de zeebodem.

Wesselingh, werkzaam bij het Natuurhistorisch museum Naturalis, raapt een ovale schelp van het strand en wijst op een boogvormige groef aan de binnenzijde. „Daar heeft de sifon gezeten van deze grote otterschelp, Lutraria lutraria. De boog is langgerekt en dat duidt erop dat deze schelp diep in het zand heeft geleefd.”

Met collega Peter Moerdijk voltooide Wesselingh vorige maand een 332 pagina’s tellend boek over fossiele strandschelpen: De Fossiele Schelpen van de Nederlandse Kust. „Tientallen mensen hebben er elf jaar aan gewerkt”, zegt hij. „We beschrijven 350 fossiele schelpensoorten, vooral tweekleppigen. En dan hebben we de fossiele hoorntjes nog buiten beschouwing gelaten. De inventarisatie daarvan vergt nog veel meer werk.”

Kernconclusie van Wesselinghs onderzoek is dat de fauna in het Nederlandse Noordzeegebied vroeger veel soortenrijker was dan tegenwoordig. In totaal zijn er uit het gebied zo’n 700 fossiele weekdieren bekend. Het tegenwoordige soortenaantal ligt tussen 250 en 300.

Op zichzelf zeggen die getallen niet alles over de diversiteit, erkent Wesselingh: „Het aantal moderne soorten is een momentopname”, zegt hij. „De fossiele soorten stammen uit een lange periode. Maar die vroegere soortenrijkdom is een feit. Als je nu buitengaats op de Noordzee een kilo sediment doorzoekt, dan vind je daarin misschien 20 of 30 soorten. In een boorgat met een afzetting van zeg drie miljoen jaar geleden vind je er wel 60, 70 of 80.”

De fossielenatlas verschaft inzicht in de verspreiding van schelpen over het Noordzeegebied. Neem de strandgaper, een van de grootste schelpen die je langs de Nederlandse kust kunt aantreffen. Deze schelp was 1,8 miljoen jaar geleden uit Noordwest-Europa verdwenen. Vanaf het jaar 1300 duikt hij weer op in de Noordzee. Waarschijnlijk is hij meegelift met Vikingschepen die in de eeuwen ervoor in Amerika waren geweest.

De fossielenatlas van Wesselingh maakt duidelijk waarom een fossielenzoeker het strand tussen Den Haag en Zandvoort het beste maar kan mijden. De afzettingen met oeroude schelpen voor dit deel van de kust liggen te diep om door zeestromen te worden aangesneden. Wesselingh: „Uit een boring bij Wassenaar weten we dat schelpenlagen uit het Eoceen (56 tot 34 miljoen jaar geleden) in Zuid-Holland kilometers onder de grond liggen.”

De stranden bij Hoek van Holland en de Waddeneilanden zijn al fossielenrijker. En Zeeland is het beste jachtgebied. Op het zuidpuntje van de Nederlandse kust, ten zuiden van Cadzand, liggen de afzettingen uit het Eoceen maar een paar meter onder de zeebodem.

De opbouw van de Nederlandse ondergrond kan de variatie in fossielenrijkdom langs de Nederlandse kust verklaren, legt Wesselingh uit. In en rondom Vlaanderen is een oeroude kern van een gebergte bewaard gebleven: het Londen-Brabantmassief. Oude aardlagen nabij dit massief liggen nog altijd hoog.

Ten Noorden hiervan ligt Nederland grotendeels in een dalingsgebied waarvan ook de Noordzee deel uitmaakt. Oude aardlagen liggen daardoor dieper, het diepst onder de stranden ter hoogte van de Randstad. Doordat er dwars door Nederland een oude breuklijn loopt, is de bodemdaling ter hoogte van Texel weer wat minder en om die reden zijn er op delen van de Waddeneilanden weer vrij veel fossielen te vinden. Wesselingh: „De fossielenarmoede tussen Wassenaar en Zandvoort wordt nog versterkt doordat je voor de Hollandse kust geen diepe geulen hebt waaruit fossiel materiaal kan losspoelen, met uitzondering van de Eurogeul en de havengeul van IJmuiden.”

Wesselingh staat stil bij een grijzig stukje schelp, plat en geribbeld. „Dit is de bonte mantel”, zegt hij. „Een familielid van de bekende Shellschelp. Als je een schelp zoals deze vindt, dan zie je direct dat je te maken hebt met iets exotisch. Iets wat hier eigenlijk niet thuishoort.”

Tegenwoordig leeft de bonte mantel vooral verder naar het zuiden, in het Kanaalgebied en wel tot aan de Middellandse Zee. Maar langs delen van de Nederlandse kust zijn de fossielen niet zo heel moeilijk te vinden. Hier bij Hoek van Holland komen de meeste uit het Eemien, een wat warmere periode tussen de voorlaatste en de laatste IJstijd (128.000 tot 116.000 jaar geleden). Dat blijkt uit dateringsmethoden die gebruikmaken van het geleidelijke verval van radioactieve isotopen.

In de duinen en op de hogere delen van het strand, tot aan de vloedlijn, ligt een allegaartje van schelpen, steentjes en botten die uit de Eurogeul zijn opgediept. Bij het uitbaggeren van deze 27 meter diepe vaargeul naar de Rotterdamse haven worden oude afzettingen op de zeebodem aangesneden, opgezogen en op de kust gespoten. Wesselingh: „Ditzelfde spul kun je vinden op schelpenpaadjes of op de bouwterreinen van Leiden en Zoetermeer. Het gebeurt nog wel eens dat een kind er een mammoetbot vindt. Als ik op het strand loop en ik zie een kind met een emmertje dan ben ik ook geneigd om even te gaan kijken wat het gevonden heeft.”

Bij Hoek van Holland liggen oeroude fossielen naast haast identieke schelpjes die kort geleden nog geleefd hebben. Wesselingh toont twee fuikhoorns in de palm van zijn hand (Nassarius). Het fijngeribbelde wenteltorentje is niet veel groter dan een vingerkootje. „Deze witte is 120.000 jaar oud. Maar deze, met die bruinige kleurresten heeft hier kort geleden nog in zee geleefd.”

Tussen de ribbeltjes op de schelp zitten organische resten. „Schelpen zijn aan de buitenkant bedekt met een organisch, stug laagje”, vertelt Wesselingh. „Deze opperhuid kan helpen om het calciumcarbonaat waar de schelp van is gemaakt in een zuur milieu te beschermen tegen oplossing. Hij kan ook nuttig zijn om de schelp te stroomlijnen of te camoufleren. Als je op een schelp nog restjes opperhuid vindt dan weet je zeker dat je niet te maken hebt met een fossiel.”

Eén stukje schelp kan al een filmisch beeld oproepen van een verdwenen ecosysteem. Zo zijn in Zeeland oestertjes (Ostrea multicostata) gevonden met sporen van de mangroven waarop zij zich hebben vastgehecht in het Eoceen. In die tijd leefden deze schelpen in een ondiepe zee ter hoogte van West-Vlaanderen. Haaien en roggen zwommen er tussen de mangrovewortels. Slangen en ibissen leefden in de takken erboven.

Voor Wesselingh heeft elke schelp een verhaal. „Eens kijken wat de wulk zegt”, bromt hij, en raapt een schelp dichtbij de vloedlijn op. Een markante kartelrand vormt het knipspoor van een krabbenschaar: „Terwijl de krab het schelpje bewerkt, trekt het slakje zich steeds dieper terug in zijn hoorn. Hij overleeft alleen als dat deel van de schelp sterk genoeg is.”

De timing van het strandbezoek aan het strand nabij Hoek van Holland laat te wensen over. Het is vloed en schelpen zoeken doe je liefst bij laag water, en bij oostenwind. Het oppervlaktewater wordt dan van de kust afgeblazen en een tegenstroom dichtbij de bodem brengt schelpen naar het land.

Veel van de schelpen beneden de vloedlijn hebben kort geleden nog geleefd, onder de golven op een paar honderd meter afstand.

Een minuscuul perfect rond gaatje in een klein driehoekig schelpje, een zaagje, is letsel dat is toegebracht door de tepelhoorn. Het is een roofslakje dat met zijn rasptong gaatjes boort in zijn prooi. Om ze vervolgens leeg te zuigen.

De ribbelrandjes op een venusschelp, even verderop, zijn bovenop regelmatig, maar broos en pokdalig aan de buitenkant. „Dit beestje was een jonge adonis”, zegt Wesselingh. „Maar halverwege zijn leven is hij in de problemen geraakt toen een zeerasp zich op hem heeft vastgezet.”

Het is dramatiek op de vierkante centimeter, maar er is ook een groter verhaal. Roofslakjesgerasp, krabbengeknip, vissengekauw en het kraken van schelpen in de vogelmaag zijn de belangrijkste reden dat schelpen langs onze kust grotendeels aan gruzelementen liggen.

Wesselingh: „Mensen denken dat schelpen kapotgaan doordat ze in de branding met kleine steentjes gehusseld worden. Dat is niet zo. De kracht van golven kan schelpen afslijten, maar ze is niet sterk genoeg om schelpen te breken. Probeer maar eens schelpen in een zeef zo hard te schudden dat ze breken. Dat lukt je niet.”