Epilepsie

Wat een leed toch. Vanaf de start van de Tour in Rotterdam stuiken de renners als vliegende dakpannen ten gronde. Iedereen valt. Het lijkt wel de Tour Epilepsie. Renners die in hun hele carrière nooit in de berm hadden gelegen, komen alsnog geschramd en geschonden over de meet.

Lance Armstrong bijvoorbeeld.

The Boss met gescheurde broek in het zadel: het was hem niet eerder overkomen. Juist aan de Amerikaan was alles altijd zo af, zo gepolijst: de zit, de omwenteling, de arendsblik, de sokjes, het voltooide lichaam. De intimidatie ook. Nooit eens een zweetdruppeltje, ook niet van schaamte voor het beroven van Alberto Contador van zijn beste helpers. Het snot om de mond, waarmee Erik Breukink in zijn gouden jaren zo’n indruk maakte? Niet gekend.

Maar nu, pats boem, bij de eerste de beste rotonde gaat hij tegen het asfalt. En hoe hij dan overeind kruipt uit die genadeloze slijtage van vele Tourjaren: obscener kom je het in het peloton niet tegen.

Weg is alle jongensachtigheid. In het onderuitgaan van legendes ontstaat al gauw kwaadaardige melancholie. En op televisie wordt iedere gebrekkigheid met de honger van een weeshuis uitvergroot. Ineens hoor je dat de grote Lance op Jean Robic gaat lijken. De scheve dwerg die van steenpuist naar steenpuist fietste. Klontje suiker tussen de tanden om de pijn nog enigszins beschaafd te doorstaan. Afbladdering in de sport gaat sneller dan het licht.

Er wordt ook veel leed gespeeld in de Ronde van Frankrijk. Hoor Bram Tankink praten en de zeven plagen van Egypte dreigen je tegemoet. In een waaier van mankementen: of koorts, of een opspelende heup, of een teen die averechts krult – Brammeke schept graag op over hel en verdoemenis. Hij beoefent de kunst van het lijden, zoals dat in de boeken staat. Nabootsertje. Al zag ik hem op de avond van Nederland-Spanje als dorpsgek op een vuvuzela blazen. De eeuwige strijd van Tankink: hofnar of gekruisigde? Altijd in het niet te bedwingen lawaai-instinct van de oer-Hollander.

Cadel Evans was ook gevallen. En vervolgens, zoals Armstrong, op tien minuten gereden. Huilend viel hij in de armen van ploegmaat Mauro Santambrogio. Ineens wereldkampioen snikken. Enfin, breukje in de elleboog. Ik had het graag alle voetballers op het WK in Zuid-Afrika toegewenst, maar de ene sportgod is de andere niet. Normaal geneest een breuk door te rusten, maar niet bij Cadel. Hij wikkelde zakjes diepgevroren doperwten rond het gewricht, en hop: het zadel nam hem alweer mee naar een volgend inferno.

De helende kracht van doperwten: het is zeer des wielrennen. Ik word er een beetje sentimenteel van. Zolang de Tour de France bestaat, wemelt het ’s avonds in de plattelandse rennershotelletjes van catastrofefilosofen en medicijnmannen. Soms vermomd als soigneur. Ze laten de meest geheimzinnige verhalen rondzingen over de kracht van zalfjes, sapjes, oliesmeersels, keelpastilles, ondergoed. Daar zijn nu dus ook doperwten bijgekomen. En reken maar: deze hekserij gaat nog jaren mee. Wat kan stille paniek toch mooi zijn.

De Tour de France is opera.

Misschien moet Robert Gesink daar nog even aan wennen. De begenadigde klimmer blijft lichtjes vastgeroest in Achterhoeks gemompel. Als een adequate beheerder van zijn eigen werkelijkheid, dat wel, maar de mond swingt niet zoals de benen. Kennelijk geen jongen voor het Museumplein. Ik kan me hem niet eens voorstellen met oranje bloesem op de wangen.

Nu zijn er meer kampioenen geweest met het charisma van een melkkruik, maar tijden veranderen. Sporters trouwen nu op Ibiza, of op zijn minst in Toscane. En dus hoop ik maar dat grote bewonderaar Guus Hiddink de gevleugelde Raborenner toch wat vloeiender en leper in de communicatie kan maken. Botoxspuitje: geen bezwaar.

Het zou zonde zijn als dit talent Joop Zoetemelk achterna zou gaan, die zich zijn hele leven te kort heeft gedaan met die Hollandse opgezouten trots. En ook: je kan niet twee wauwelende knotwilgen in een wielerploeg hebben. Dat Denis Mentsjov niet is weg te roken uit de grimmigheid van een grondeloos zwijgen, is nog te herleiden tot de prehistorie. Maar een halfgod uit de polder komt daar niet mee weg. Niet in deze herdoopte kakelstaat van Oranje.

Robert moet spreken en lachen. Pijngrenzen mogen niet langer geruisloos overgaan in triomfbogen. Of omgekeerd. Er komt een dag dat hij wijlen Theo Koomen na moet zeggen: „Ach, de Tourmalet: achtertuintje van mijn klikpedaal.”