Bijna verwoest door kuren

Joost Vijselaars pijnlijke standaardwerk ‘Het gesticht’ draait om die ene ook zo pijnlijke vraag: hielpen al die de behandelingen eigenlijk wel?

'De toepassing van het permanente bad vereist grote nauwgezetheid', aldus het bijschrift bij deze foto.
'De toepassing van het permanente bad vereist grote nauwgezetheid', aldus het bijschrift bij deze foto.

Joost Vijselaar: Het gesticht. Enkele reis of retour. Boom, 381 blz. € 39,50.

In de jaren tachtig begon ook in Nederland de belangstelling door te zetten voor de geschiedenis van de psychiatrische zorg. In 1981 verscheen Verloren gewaand, een onderzoek naar het historisch bezit van de psychiatrische ziekenhuizen in Nederland door Joost Vijselaar, die prachtig materiaal opdiepte. Foto’s van opslagruimtes van inrichtingen en gestichten, handgereedschap als de ‘koppensnepper’ (waarmee men patiënten deed bloeden), geestelijk verwarden in dwangbuis, onder spanlakens te bed of tijdens een permanente badbehandeling. Hier werd een wereld ontsloten waar je meer van weten wilde.

Terwijl ook de interesse voor de patiënt en diens hoogstpersoonlijke (kunst)uitingen, die sinds de jaren dertig enigszins op zijn retour was geraakt, weer opbloeide, ging Joost Vijselaar door met zijn onderzoekingen op het terrein van de gestichtshistorie in Nederland. Sinds 2004 is hij bijzonder hoogleraar Geschiedenis van de Psychiatrie. En nu is van hem verschenen Het gesticht. Enkele reis of retour. Een standaardwerk. Aan de hand van patiëntendossiers, waarvan er alleen al in de bekende gemeentelijke inrichting Endegeest te Oegstgeest vele tienduizenden bewaard zijn gebleven, geeft Vijselaar een nauwkeurig beeld van de zorg voor geestelijk ontredderden in het Nederland tussen 1890-1950. Wat gebeurde er met een psychiatrische patiënt als hij of zij er eenmaal ‘in’ zat, en om wat voor gevallen ging het?

Er waren de uitverkorenen en geroepenen, zoals een boer uit Wolfheze die zich Zoon van God waande of een handelsreiziger die ‘door uitstorting van de Heilige Geest de dichtersgave had ontvangen’. Een man die meent Schiller of Goethe te zijn en met veel pathos zijn verzen voordraagt. Dit zijn uiteraard de kleurrijkste gevallen, bonte vogels in een kooi waarin toch het vale, anonieme lijden de overhand heeft.

In Het gesticht volgen we hun gang door de zorg. Opvallend is dat een hoop families lang wachtten voor ze hun lijdende verwant toevertrouwden aan de medische stand. Vaak tot ‘het echt niet meer ging’, door geweldsituaties binnenshuis (‘Patiënt is niet langer duldbaar voor huisgenoten’) of verstoring van de openbare orde buiten de deur.

Mooi is hoe Vijselaar aan de hand van een groot aantal gevallen (met veel feiten en cijfers) heel nauwkeurig reconstrueert hoe patiënten in de inrichting terechtkwamen, het papierwerk, de inbewaringstelling, eerste opname, bed- en badbehandeling, de kuren, medicatie, arbeidstherapie, isolatie, dwangmiddelen, in- en externe overplaatsingen, et cetera. Uiteindelijk komt hij uiteraard terecht bij de vraag: hielpen al die behandelingen? Wanneer mocht men er weer uit, op proefverlof, of definitief?

Op veel plaatsen wordt de lezer van Het gesticht bevangen door enige huiver. De behandelingen waren soms draconisch. Vastbinden in bed, spanlaken, dwangvoeding. Voor een watervreestype als ik vertoont permanente badbehandeling al nachtmerrieachtige aspecten. Maar wat te denken van de malariakuur (kunstmatige besmetting, ‘koortstoppen’ van veertig graden, gevolgd door bestrijding met kinine) die verdere aantasting van de hersenen stopte, maar meer ook niet?

Huiveringwekkend is ook de sinds 1935 toegepaste cardiazol-shockkuur voor splitszinnigen (schizofrenie). Bij deze ‘convulsietherapie’ werd een epileptische aanval opgewekt. Volgden bewustzijnsverlies, tonische en klonische krampen. Bij het ontwaken wist de patiënt nergens meer van, het kon gebeuren dat bij alle spiergeweld botten, gewrichten of ruggewervels sneuvelden. Cardiazol veroorzaakt bovendien een gevoel van vernietiging en desintegratie, met hevige angsten van dien.

Schrikbeeld is natuurlijk de elektroshock, voor het eerst toegediend door de Italiaanse psychiater Cerletti in 1938. Goedkoper dan cardiozol. Bovendien verloor men meteen het bewustzijn, wat minder angsttoestanden opleverde. Om botschade te voorkomen, werden de patiënten eerst ingespoten met het spierverslappend slangengif curare. Nadeel was weer dat de elektroshock (voorbijgaande, maar toch) geheugenstoornissen opleverde met bijbehorende angst. In de gestichtsarchieven vond Vijselaar een voorbedrukte kaart die erop wijst dat de elektroshock in 1947 tot de standaardbehandelingen behoorde: ‘Op de kaart staat genoteerd dat betreffende patiënte tussen 3 april en 16 mei twaalf maal geshockt werd.’ Allemachtig. Werkte het ook? Sommige patiënten herstelden zichtbaar en mochten naar huis, bij anderen was de verbetering minder prominent. Van één geshockte patiënt meldt de geneesheer van dienst: ‘De toestand is wel veranderd. Zo ging ze mee naar de tuinploeg, kon af en toe tussen betere patiënten verkeren en ging ook wel eens naar huis. Daar stond tegenover dat ze wel eens schreeuwde, scheurde, zich ontkleedde of zich prikkelbaar toonde.’

Vijselaars studie Het gesticht is een zakelijk geschreven, bijzonder informatief boek met een flink aantal staatjes en een rijkdom aan ziektegevallen. Wonderlijk in de achterin opgenomen bibliografie vond ik het ontbreken van twee oudere werken over de krankzinnigenverpleging: J.C.Th. Scheffers Voorlezingen over de verpleging van Zenuwzieken en Krankzinnigen (1914) en A.P. Timmers Leerboek voor verplegenden van zenuwzieken en krankzinnigen (1938).

Met name het laatste bevat naast schitterende illustraties behartigenswaardige regels over de zenuwziekenverpleging: ‘Zeer onrustige en weerstrevende patiënten vervoert men liever met behulp van een ziekenauto. Men kan de patiënt vastbinden op de brancard, zoals iedere patiënt tijdens het transport wordt vastgesnoerd. Een dergelijk transport is minder stuitend dan een doorlopende vechtpartij in een beperkte ruimte.’ Dit doet niets af aan het feit dat Joost Vijselaars Het gesticht een soms onthutsend en overal fascinerend beeld geeft van een wereld waarin men hoopt nooit terecht te komen.