Een onvervalste kaaskop met blond vlashaar

Gisteren las ik in de krant dat er alweer een Russische spion is aangehouden in de Verenigde Staten. Ik ben dol op dat soort nieuws. Vorige week werden er in Amerika tien verdachten opgepakt die ervan beschuldigd werden deel uit te maken van een uitgebreid Russisch spionagenetwerk. Onder hen was ook Anna Koesjtsjenko, alias Anna Chapman, een 28-jarige Bondgirl met wapperende rode haren en ‘het lichaam van een Victoria’s Secret model’. Als ik dat lees slaat mijn fantasie meteen op hol. Spioneren. Het lijkt me een uitstekende bezigheid. Je mag je eindeloos verkleden, geheimzinnige taken uitvoeren en op feestjes onzin verkopen aan diplomaten en lords.

Ik heb eigenlijk al jaren last van het Zelig-syndroom. Leonard Zelig is een personage uit een van mijn favoriete Woody Allen-films. Deze mockumentary, getiteld Zelig, gaat over een obscuur mannetje, gespeeld door Allen zelf, die lijdt aan zo’n bizarre persoonlijkheidsstoornis dat hij, zodra hij in contact komt met mensen, zijn identiteit verliest en zich volledig aanpast aan de ander. Als hij in Chinatown wandelt, krijgt hij spleetogen, raakt hij in gesprek met een orthodox-joodse man, dan krijgt hij een baard en pijpenkrullen.

Mijn Zelig-afwijking begon op de middelbare school. Mijn beste vriendin en ik hielden, toen we met de trein door Zuid-Europa trokken, een wedstrijd met als opdracht: wie-kan-zich-het beste-aanpassen-aan-de-omgeving? Helaas was het geen eerlijke strijd. Mijn vriendin, afkomstig uit een Joods-Marokkaans-Indisch gezin, had een lichtbruine huid, grote donkere ogen en lange neus. Ik, daarentegen, was een pukkelig meisje met blond vlashaar, een onvervalste kaaskop dus. Logeerden we in Valencia, dan deed zij een strakke, witte stretchjurk aan en werd vervolgens de hele avond in de disco in het Spaans aangesproken. Waren we een week later in Marrakech, dan deed ze een doek om haar hoofd, maakte haar ogen zwaar op, en liep daarna als een authentieke ‘Berber’ door de stad. Dat wilde ik ook. Maar met mijn blonde haar werd ik alleen maar in mijn billen geknepen. Dieptepunt was de periode dat we in de kibboets in Israël verbleven. Daar werd ik op een dag in de eetzaal op de schouder getikt door een krom mannetje. Na enig rochelen, fluisterde hij in mijn oor: You remind me of the German girls before the war.

Dat was hard.

Gelukkig kwam mijn wraak een paar jaar later. Met een vriend was ik naar Praag gelift. Het was er koud en ik droeg een oude soldatenjas van het Waterlooplein. In de metro werd ik op mijn schouder getikt. Een dame vroeg iets. In het Tsjechisch! Ik trok mijn schouders op en maakte een gebaar van: ik-weet-niet-wat-u-bedoelt. Maar inwendig juichte ik.

Rosan Hollak