Feitelijke leeftijd van het pensioen schuift op

Het aantal niet-werkende ouderen tussen de 55 en 60 jaar is de afgelopen vijftien jaar gehalveerd. Steeds meer ouderen blijven dus langer aan het werk. Dat is de voornaamste conclusie uit een gezamenlijke onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en TNO. In de vandaag verschenen publicatie Alle hens aan dek: Niet-werkenden in beeld gebracht , tonen CBS en TNO aan dat de gemiddelde leeftijd waarop werknemers met pensioen gaan, stijgt naar 62 jaar.

„Het gaat goed met de arbeidsparticipatie van ouderen”, zegt onderzoeker Jos Sanders van TNO. „Dat komt deels omdat de vutregelingen zijn versoberd, maar ook omdat het eerste cohort vrouwen dat halverwege de jaren tachtig de arbeidsmarkt betrad, nu ouder wordt. Zij blijven werken. De crisis doet daar niets aan af.” Volgens Sanders is de stijging van het aantal mannen dat langer blijft werken, minder groot.

Een groot deel van de niet-werkenden wordt gevormd door mensen met een langdurige aandoening van tenminste een half jaar. Deze groep nam de afgelopen jaren zelfs licht toe, volgens het onderzoek van TNO en CBS.

Daarnaast staan honderdduizend jongeren tussen de 15 en 26 jaar buiten de arbeidsmarkt. Zij werken niet, maar volgen ook geen onderwijs. Ruim 34.000 van hen zouden wel willen werken, maar zijn niet actief op zoek naar betaald werk. De overige 66.000 willen of kunnen helemaal niet werken, aldus de onderzoekers.

Het aantal niet-werkende vrouwen is de afgelopen 15 jaar gehalveerd naar 37 procent in 2009. Alleen allochtone moeders blijven ondervertegenwoordigd op de arbeidsmarkt: de helft van moeders van Turkse en Marokkaanse afkomst werkt niet, tegen 25 procent van de autochtone moeders. Volgens de onderzoekers wordt dit verschil niet alleen veroorzaakt door cultuur, maar speelt vooral het gemiddeld lage opleidingsniveau van allochtone vrouwen mee.