Wat doen we met god als het universum leeg is?

Paul Davies: The Eerie Silence. Penguin Books, 260 blz. € 27,-

‘Waar is iedereen?’ Die legendarische vraag stelde de natuurkundige Enrico Fermi zich toen hij de waarschijnlijkheid van intelligent buitenaards leven overdacht. Onze nabije is omgeving akelig stil. Zijn we dus alleen?

Het is te vroeg om die conclusie te trekken, zeggen de (radio)astronomen van het dit jaar jubilerende Search For Extraterrestrial Intelligence (SETI). Sinds 1960 speurt SETI de hemel af om een kik van de buren op te vangen. Vooralsnog zonder resultaat. Natuurkundige, kosmoloog en astrobioloog Paul Davies probeert in zijn toegankelijke en afgewogen The Eerie Silence duidelijk te maken waarom die stilte te verwachten viel.

Davies, schrijver van populair-wetenschappelijke titels, heeft een groot deel van zijn carrière voor SETI gewerkt. Maar dit betekent niet dat hij er automatisch van uitgaat dat buitenaards leven onvermijdelijk is.

Voordat hij de hamvraag behandelt, neemt Davies SETI vakkundig de maat, door het antropocentrische karakter van de zoektocht bloot te leggen. Hij beargumenteert dat ander leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet voor kunnen stellen. Maar SETI wordt gekleurd door menselijke ervaring. Bewust en onbewust wordt uitgegaan van ónze drijfveren en ónze technologische ontwikkeling. Dat is mogelijk de reden waarom we niets horen: we luisteren verkeerd. Davies breekt een lans voor zo breed mogelijk speculeren over wat leven en vooruitgang zouden kunnen behelzen. ‘SETI omarmen’, zegt hij, ‘betekent voorbij de UFO’s raken, voorbij de stereotiepe menselijke mythen, voorbij folklore, fabel en sciencefiction.’

Vervolgens filosofeert Davies er lustig op los. Zou ander leven – indien verder geëvolueerd dan wij – zijn overgegaan in artificieel leven? Kunnen ‘levende systemen’ bestaan in minder solide vorm? Hij laat ook zien dat door ons verwachte gedragingen projecties zijn, en suggereert in één moeite door een paar niet-menselijke leefprincipes. Daarmee stelt hij de lezer wel op de proef, want zo makkelijk komt deze niet los van zijn of haar antropocentrisme.

Davies sluit niet uit dat er helemaal niets te vinden is. Sterker: hij acht die kans groter dan een, door veel SETI-aanhangers verwachte, overvloed aan leven. En de kans op her en der een plukje acht hij nog kleiner. De moeilijkheid bij het geven van een duidelijk antwoord, zegt hij, zit hem in leven zelf. Wat is het, hoe ontstaat het, en hoe complex en waarschijnlijk is dat proces? Als we zouden kunnen aantonen, zegt hij, dat leven twee keer, onafhankelijk van elkaar, is ontstaan, zou empirisch bewezen zijn dat leven geen schitterend ongeluk is, geen kosmische aberratie. Zoek daar eerst maar eens naar, suggereert Davies. Desnoods hier op Aarde, waar leven best een herstart kan hebben gekend. We zouden dan moeten zoeken naar leven dat gebruik maakt van andere voedings- en bouwstoffen. Hoe dan ook moet je streng zijn. Eventueel microscopisch leven op Mars zou bijvoorbeeld nog geen bewijs vormen, aangezien Aarde en Mars veel bij inslagen losgekomen materiaal hebben uitgewisseld.

De interessantste vraag bewaart Davies voor het laatst. Wat zou de vondst van buitenaards leven betekenen voor ons idee van onszelf en van het universum? De filosofische implicaties zouden immens zijn – zeker voor religies.

De kracht van Davies’ boek schuilt hem erin dat hij ons uitdaagt na te denken over wat het bestaan of juist het niet-bestaan van buitenaards leven betekent. ‘In beide gevallen’, zoals sf-schrijver en wetenschapper Arthur C. Clark ooit schreef, ‘een verbijsterende gedachte.’