Zorg: volop banen, maar weinig plezier

Er komen veel banen bij in de zorg de komende jaren. Maar de branche is niet erg aantrekkelijk meer om in te werken. Daar moet nu verandering in worden gebracht.

Nieuwe stoelen voor op de afdeling, omdat de oude versleten waren. Psychiatrisch verpleegkundige Erik Bos (39) vroeg erom bij zijn teamleider. Die besprak het verzoek met zijn afdelingshoofd, daarna ging het naar de locatiemanager en vervolgens naar de financieel directeur. „Waren we drie jaar verder. Terwijl: het ging om gewone stoelen, ik had ze zo bij elke winkel kunnen bestellen.”

Bureaucratie, bezuinigingen, te hoge werkdruk, agressie, te veel administratie. Uit de Nationale Zorgenquête die zorgverzekeraar Menzis vorige maand presenteerde, blijkt dat de helft van het zorgpersoneel overweegt uit de sector te vertrekken. De vierduizend ondervraagden hebben weinig hoop, bijna 63 procent verwacht dat de kwaliteit van de zorg alleen nog maar afneemt.

Volgens onderzoeksbureau Kiwa Prismant geeft de enquête een ongenuanceerd beeld. Prismant-onderzoekers rekenen voor dat slechts 3 tot 6 procent van het personeel nu de gezondheidszorg verlaat. Veel zorgverleners, zeggen zij, doen hun werk met groot plezier. Bovendien: wie mijmert er nu niet eens over ander werk?

Toch is er wel degelijk iets aan de hand. Als de economie aantrekt kunnen veel arbeidskrachten andere sectoren verkiezen boven de zorg. En dat terwijl straks één op de vier schoolverlaters voor de zorg zal moeten kiezen om aan de behoefte van patiënten te kunnen voldoen. Die behoefte stijgt door vergrijzing en intensiviteit van behandelingen. Tegelijk neemt het arbeidsaanbod in de sector juist af. Er zijn steeds minder jongeren. Om de sector aantrekkelijk te houden, stelt zorgverzekeraar Menzis, is het nodig klachten van werknemers in de zorg serieus te nemen.

Wat die klachten zijn? „Cliënten kunnen treiteren”, zegt Erik Bos, twintig jaar psychiatrisch verpleegkundige. „Horen ze toevallig dat het met je zoontje niet goed gaat, zeggen ze: ‘En terecht, zoals ik u nu zie.’ Collega’s waren soms in tranen, de basiscursus omgaan met agressie bleek niet voldoende. Maar geen manager die ernaar wilde luisteren.”

‘Veranderingsangst’, nog zo’n reden. Bos: „Ik had bij mijn toenmalig werkgever het lef te vragen om iets nieuws: huisbezoeken bij asielzoekers. Reactie: ‘Of je loopt in de pas, of je bent weg’.”

Petra van Kouwen (38) werkte zeventien jaar lang „altijd fijn” in een verzorgingshuis en merkte achteraf hoe hard het werken was. „Je had ’s ochtends al gauw twaalf ouderen op een gang. Die moest je één voor één pillen geven, wassen en aankleden. Tijd om te zien of ze hun eten ook opaten was er niet.”

Toen er een nieuwe teamleider kwam, vertrokken in een half jaar tien van haar collega’s. Van Kouwen: „Hard werken is niet erg, maar het management moet wel weten wat er op de vloer speelt.”

Waarom werknemers juist in deze sector zo ontevreden zijn, daar heeft Dick Bos een antwoord op. „De overheid heeft de bezuinigingen aan de zorgverzekeraars overgelaten. Sindsdien moet je je minuten verantwoorden. Maar dat zijn niet de minuten die nodig zijn om een patiënt een goed leven te bieden, en dat frustreert.” Van Kouwen: „Na die bezuinigingen kwamen er fusies, fusies, fusies.” Bos: „Waardoor je in plaats van één, opeens twee managers had.”

Petra van Kouwen merkte het aan het humeur van haar cliënten. „Door de leegloop kampten wij met een personeelstekort en cliënten vinden niets zo vervelend als een vreemde aan hun lijf. Vaak genoeg hebben we tegen bewoners gezegd: ‘Als je niet blij bent, kaart het aan hogerop, wij kunnen weinig doen’. Maar dat vindt de doelgroep, ouderen, lastig.”

De oplossing voor ontevredenheid: terug naar het oude. Zo lijkt er weer groeiende belangstelling voor de wijkverpleging, wil de overheid de zorgambachtsscholen terug en heroverwegen instellingen hun beleid. Toch lukt het sommige zorginstellingen wel om aantrekkelijk te zijn. Samen met elf andere instellingen bezocht Gert Jan Waterink, bestuurder van Zorgspectrum (1.600 personeelsleden), in de Verenigde Staten de zogenoemde Magneetinstellingen, waar personeel wél wil solliciteren. Hun geheim? Waterink: „Laat verpleegkundigen zelf beslissen hoe lang ze met een cliënt bezig zijn, zoals vroeger. Geef ze een bestuurlijke stem, betrek ze bij onderzoek op de werkvloer en zorg voor scholing en doorgroeimogelijkheden. En: trek je als management wat terug.” Kosten betalen zich volgens Waterink terug door minder ziekteverzuim.

Werknemers, zegt hij, hadden vroeger een vak. „Maar dat is hun afgepakt. Vroeger hadden wijkverpleegkundigen hun wijk goed in beeld. Dáár woont een dementerende, dáár woont een zwangere. In samenwerking met een huisarts hield een wijkverpleegkundige dat in de gaten.”

Die autonomie, zegt hij, verdween begin jaren negentig door de vele fusies. „Er kwamen monsterorganisaties die wilden dat alles inzichtelijker werd. Er ontstond georganiseerde achterdocht, ook door sectorvreemde bestuurders: alles moest vastgelegd op formulieren, en dat is te ver doorgeschoten. De autonomie, en daarmee plezier in hun werk, raakten de werknemers kwijt.”

Kenmerken van de Magneetinstellingen introduceerde Waterink onlangs in zijn eigen organisatie. Het concept werkt, zeggen Erik Bos en Petra van Kouwen, die sinds enkele jaren werken bij verpleeghuis Het Houtens Erf, onderdeel van Zorgspectrum. Bos: „Hier mag je meedenken.” Van Kouwen: „Je hebt minder cliënten op een ochtend. Bos: „Ook hier moest worden bezuinigd. Toen hebben ze gesneden op de werkvloer, maar óók in management. Afdelingshoofden raakten hun kantoor kwijt, dat werden cliëntruimtes.”