Zeven kilometer diep

Op 7.700 meter diepte blijken vissen te leven.

Een onbemande sonde maakte beelden van garnalen en lichtroze vissen van twintig centimeter groot.

Het is er eeuwig diepdonker en de druk is er meer dan 700 keer zo hoog als aan het oppervlak – een hogedrukspuit is er een lachertje bij. Maar daar, 7.700 meter onder zeeniveau, blijken vissen te leven. Heel gewone lichtroze vissen, zo op het oog. Ze zwemmen rond over de bodem, ze zuigen kleine garnaaltjes naar binnen. Af en toe slaat een vis een grotere garnaal weg.

„Mensen denken dat wat daar leeft, er gruwelijk uit moet zien. Zwart en met grote tanden. Dat is dus niet zo”, vertelt onderzoeker Alan Jamieson van de University of Aberdeen. Hij is het hoofd van een reeks unieke expedities naar leven in de troggen van de diepzee, de eerste sinds de jaren zestig van de vorige eeuw. In de afgelopen vijf jaar bezocht het Brits-Japanse project HADEEP vier troggen, van Japan tot Nieuw-Zeeland. Troggen vormen samen de ‘hadal zone’ van de oceaan, naar de mythische Hades. Het zijn 6 tot 11 kilometer diepe sleuven, de meeste langs de randen van de continenten. Nooit eerder waren de vissen die daar leven op foto of video vastgelegd.

Over de groep van twintig vissen die Jamieson en zijn collega’s diep in de Japantrog zagen, publiceerden zij vorige week een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift BioScience. De opnames van de bleke vissen, twintig centimeter lang, werden anderhalf jaar geleden al openbaar. Nu beschrijft Jamieson ook wát er te zien is. Het zijn exemplaren van een soort die tot de familie van slakdolfen hoort.

HADEEP werkt met een onbemande sonde die aas verspreidt, en van de gelokte dieren foto’s neemt en video-opnames maakt. Het apparaat nam ook vele garnaaltjes en een paar vissen mee omhoog. Zo vond Jamieson de afgelopen jaren drie verschillende vissoorten, een lange lijst onbekende garnaalachtige dieren, en zeekomkommers en slakken.

Op de video is te zien hoe de slakdolfen eten met een ‘zuigschijf’, waarmee ze de kleine garnaalachtigen (amphipoden) naar binnen werken. Van die amphipoden zijn er ontzaglijk veel, vertelt Jamieson. „Eigenlijk zijn die veel interessanter dan de vissen. Je ziet er duizenden, en met elke duik vinden we nieuwe soorten, ieder op zijn eigen diepte. Maar ze slaan niet echt aan bij het grote publiek. Ze zijn een beetje klein.”

De slakdolfen gedroegen zich eigenaardig: sommige rolden zich ondersteboven en zwommen daarna een spiraal met hun rug over de bodem. Veel andere bleven een tijdje op hun zij of op hun buik op de zeebodem liggen. De onderzoekers denken dat dat ‘spiraalzwemmen’ een manier is om van parasieten af te komen. En Jamieson acht het mogelijk dat de vissen van vermoeidheid stilvallen nadat ze druk rond de sonde hadden gezwommen. De komst van het ding moet een abnormale ervaring in hun doodkalme leven geweest zijn.

Toch is de HADEEP-sonde niet de eerste die dit gedrag waarneemt. De bemanning van de Franse bathyscaaf Archimède zag vijftig jaar geleden vissen in een trog bij Puerto Rico precies hetzelfde doen. In een andere oceaan dus. Mogelijk zagen zij verwante slakdolfen, denkt Jamieson. Zijn hypothese is dat juist deze vissen zich aan de diepzee hebben aangepast, en nu in elke trog leven. „Ik denk dat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben.” In de Kermadectrog bij Nieuw-Zeeland zag hij vorig jaar al een andere soort slakdolf. „Duizenden kilometers uiteen, en toch zijn ze verwant.” In augustus vertrekt Jamieson naar de Peru-Chili-trog: op zoek naar de lokale slakdolf.

Bekijk de videobeelden via planetearth.nerc.ac.uk