Werkloosheid blijft nog even

De werkloosheid is relatief laag, maar zal de komende jaren niet verdwijnen, verwacht de Raad voor Werk en Inkomen. Wel sluiten vraag en aanbod slecht op elkaar aan.

Nooit meer werkloos. Dat is het vergezicht van minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA). „De grootste slag moet gemaakt worden op het gebied van duurzame inzetbaarheid van mensen”, zegt hij. Maar voorlopig is het verdampen van de werkloosheid een illusie.

De komende jaren blijft een overschot aan werknemers bestaan, verwacht de Raad voor Werk en Inkomen, een overlegorgaan van de sociale partners en gemeenten. Uit de Arbeidsmarktanalyse 2010, die gisteren in Den Haag aan Donner werd overhandigd, blijkt dat de voorspelde tekorten op de arbeidsmarkt nog even op zich laten wachten.

De werkloosheid, die steeg van 3,9 procent in 2008 naar 6,5 procent van de beroepsbevolking (500.000 mensen) zal ook volgend jaar op dat niveau blijven staan, verwacht de raad. Vooral aan de onderkant én aan de top van de arbeidsmarkt bestaan knelpunten.

„Laagopgeleide werknemers en hogeropgeleiden met specifieke kennis zullen de komende twee jaar moeite hebben om werk te vinden”, zei Pieter Jan Biesheuvel, voorzitter van de raad.

Laagopgeleiden en ongeschoolden die werkloos worden, komen moeilijk aan de slag. Niet omdat er onvoldoende banen voor hen zijn. Het aantal banen voor laaggeschoolden blijkt de afgelopen twintig jaar nauwelijks te zijn veranderd, terwijl het aantal laag opgeleiden daalde, toont recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De vrees dat door de globalisering banen voor laaggeschoolden verdwijnen naar lagelonenlanden is volgens het planbureau ongegrond.

Ongeschoolde werknemers worden echter verdrongen door mensen met een betere opleiding, blijkt uit de analyse van de Raad voor Werk en Inkomen. Zo steeg het aantal werklozen met enkel lager onderwijs van 2008 naar 2009 met de helft, terwijl het aantal werklozen met een baan op laag niveau met 15 procent toenam.

„Met alleen mbo-2 kom je er niet meer”, zegt Biesheuvel. Met name in de maak- en procesindustrie wordt door werkgevers een hoger niveau gevraagd. Het aantal werklozen zonder startkwalificatie (vanaf mbo-2) is met 8 procent bijna twee keer zo hoog als onder personen die minimaal een havo of vwo-diploma hebben.

Ook bij een krimpende beroepsbevolking, momenteel 7,7 miljoen, is het niet meer vanzelfsprekend dat er werk is voor iedereen. Binnen de groep langdurig werklozen en bijstandsgerechtigden is een groeiende groep werkzoekenden voor wie het perspectief op arbeid „verder weg is dan ooit”, concludeert de raad.

Daarom moet er veel zorg uitgaan naar de onderkant van de arbeidsmarkt, waar een „groot maatschappelijk probleem” dreigt te ontstaan, waarschuwt de raad. Een kwart van de werkenden en werkzoekenden heeft een opleiding op vmbo-niveau of lager. „Zonder extra ondersteuning is werk voor iedereen een illusie”, stelt Biesheuvel. Volgens hem is het noodzakelijk naast gemeenten en het UWV Werkbedrijf, ook marktpartijen meer bij de bemiddeling van deze werklozen te betrekken.

Ook hoger opgeleiden met specifieke kennis zullen de komende jaren moeite hebben werk te vinden. Zo zijn er inmiddels meer vrouwen (57 procent) met hbo of universitaire opleiding opleiding dan mannen (43 procent). Maar ze zoeken veelal een deeltijdbaan, die ze niet vinden.

Ook vindt een mismatch plaats tussen vraag en aanbod. Zo voltooien vrouwen studies als culturele en maatschappelijke vorming waar geen banen in zijn, terwijl zorg en onderwijs in de toekomst dringend personeel nodig hebben. Daarom vindt de raad dat er een beperking moet komen voor opleidingen met een slecht of een gebrekkig arbeidsmarktperspectief.

Daarnaast zullen extra inspanningen moeten worden verricht om werkgelegenheid in het topsegment voor Nederland te behouden. Momenteel verdwijnt hoogwaardige werkgelegenheid uit Nederland, constateert Biesheuvel bezorgd. Daarom dient volgens hem flink geïnvesteerd te worden in verbetering van het vestigingsklimaat. Met andere woorden: „Organon moet in Oss blijven”, aldus Biesheuvel. Hij dringt erop aan de aandacht voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling te versterken, zodat buitenlandse bedrijven in Nederland hier ook nieuwe werkgelegenheid creëren.

De raad wil zich er niet bij neerleggen dat de werkgelegenheid in de marktsector de komende vijf jaar niet zal groeien, zoals het Centraal Planbureau voorspelt. De adviezen van Biesheuvel en de raad zijn bij minister Donner niet aan dovemansoren gericht. Investeren in opleiding van werknemers, inspelen op tekorten op de arbeidsmarkt in de technische en zorgsector en stimulering van meer mobiliteit van met name oudere werknemers op de arbeidsmarkt – aan deze agenda werkt Donner, ook als demissionair minister, nog even gestaag door.