Onzichtbare bodemvervuiling in New York is vergeten olieramp VS

Terwijl olie de Golf van Mexico blijft instromen, wordt een grote historische olieramp in New York vergeten. Daar is de schade nog lang niet opgeruimd.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, is Newtown Creek verre van pittoresk. Het 5,6 kilometer lange kanaal dat de New Yorkse stadsdelen Queens en Brooklyn van elkaar scheidt is een van de ernstigst vervuilde gebieden van Amerika.

Newtown Creek is verlaten. Fabrieken, magazijnen, bergen afval, verroeste auto’s en bussen omheinen de kade. Op een muur staat ,,money smells” in graffiti. Het steekt af tegen de wolkenkrabbers in de verte, lijkt niet op het rijke New York van televisie.

Achter het afval en de fabrieken liggen enkele dichtbevolkte woonwijken, waarboven al jaren de stinkende damp hangt die van het kanaal afkomt -- de erfenis van het industriële verleden van Newtown Creek. In de tweede helft van de negentiende eeuw floreerde het gebied als een van de drukst bevaarde industrieroutes van de Verenigde Staten, en een centrum van olieraffinaderijen.

Tot het olieplatform Deepwater Horizon in april zonk voor de kust van Louisiana, stond de ramp met de olietanker Exxon Valdez bekend als de grootste olieramp in de Amerikaanse geschiedenis. Daarbij besmeurde in 1989 zeker 42 miljoen liter ruwe olie de kust van Alaska.

Vergeten wordt echter de zware, maar grotendeels onzichtbare vervuiling onder New York: in Newtown Creek en het omringende gebied, Greenpoint, lekte naar schatting 64 tot 114 miljoen liter in de bodem. En ook deze olie is nog niet opgeruimd.

De rampzalige omvang van de olievervuiling in het gebied werd in 1978 ontdekt tijdens een vlucht van de Amerikaanse kustwacht. Die nam een olievlek waar in de waterweg. Onderzoek wees uit dat zich onder de grond meer dan 64 miljoen liter olie had verspreid, over een gebied van ruim 20 hectare.

Hoe is deze olie in de bodem rond Newtown Creek terechtgekomen? Vermoedelijk is de vervuiling afkomstig van de oude raffinaderijen die aan het kanaal waren gevestigd. Rond 1870 stonden er meer dan 50 verwerkingsfabrieken voor ruwe olie, eigendom van onder meer het voormalige Standard Oil, Amoco en Paragon Oil. Die maatschappijen zijn sindsdien opgegaan in respectievelijk ExxonMobil, BP, en ChevronTexaco.

Opruimwerk ging schoorvoetend van start. Pas in 1990 zette de staat New York oliemaatschappij ExxonMobil onder druk om de schade weg te werken. Maar strakke criteria voor de opruiming ontbraken, en er werden geen sancties gesteld. In veertien jaar tijd werd slechts 3 miljoen liter olie opgeruimd.

Ondertussen trok de olie steeds dieper in de grond onder Brooklyn, een stadsdeel van New York met honderdduizenden inwoners. Het Amerikaanse Environmental Protection Agency verdubbelde in een rapport in 2007 de schatting van de omvang van het gebied dat is vervuild, tot ongeveer 40 hectare. Ook verhoogde het de raming van de gelekte olie, tot 114 miljoen liter.

John Lipscomb van de organisatie Riverkeeper, een groep die zich inzet voor schoner water in New York, is verontwaardigd over het gebrek aan vooruitgang bij de schoonmaak. „Als een vrachtwagen verongelukt en zijn lading verliest, moet de chauffeur het opruimen”, zegt hij. „Waarom zijn er voor alles in dit land strikte straffen en boetes, behalve voor de grootste ondergrondse olieramp in Noord-Amerika, van het grootste oliebedrijf ter wereld?”

Lipscomb herinnert zich een patrouilletocht over Newtown Creek in 2002, bijna een kwart eeuw na de ontdekking van de grootschalige vervuiling. „Toen dreef er nog stééds olie”, zegt hij. Zo kon het niet langer, vond Riverkeeper. De groep spande een rechtzaak aan tegen ExxonMobil. Het olieconcern had de wet overtreden door zich niet te houden aan de regels over schoon water en milieubescherming, meende Riverkeeper.

Sindsdien is het opruimtempo opgevoerd. Momenteel verwijdert ExxonMobil tot een miljoen liter olie per jaar – aanzienlijk meer dan de drie miljoen liter olie in veertien jaar tijd. Vanaf een terrein met een handvol keten, omringd door prikkeldraad en betonnen muren, wordt olie via putten van meer dan 20 meter diep uit de grond gepompt. Ongeveer 11 miljoen liter olie is nu verwijderd.

Carolina Asafiri van ExxonMobil is enthousiast over het schoonmaakproject. Er wordt goede vooruitgang geboekt, en de maatschappij is zeer begaan met de bewoners van het gebied, zegt zij in haar trailerkantoor met uitzicht over het verlaten terrein.

Die betrokkenheid lijkt inderdaad te werken. Tijdens een rondgang bij bewoners is de sfeer positief. Ze zijn op de hoogte wat zich onder de grond van hun huizen bevindt. Dat is benauwend, zeggen de meesten. Maar verhuizen willen ze niet. ExxonMobil maakt nu echt schoon, geloven ze.

Maar hoe lang duurt het dan nog voordat er alle olie is opgeruimd? Asafiri is stellig. „Zo snel mogelijk,” zegt zij. „Denk je dat wij hier zelf niet weg willen?”

Lipscomb is echter niet te spreken over de schoonmaakoperatie van ExxonMobil. „Ze doen vrijwel niets”, zegt hij. „Ze kunnen toch meer putten graven? Ze bouwen alleen maar leuke vogelhuisjes en planten bomen op hun terrein. De negatieve kant van het verhaal laten ze gewoon niet zien.”