Onze eerste voetbalfinale

Succes in het voetbal was voorbehouden aan een vorige generatie van langharigen. Nu krijgt onze generatie haar eigen helden, schrijft twintiger Ingmar Vriesema.

Het Nederlands elftal heeft gisteren niet alleen de finale gehaald maar heeft ook een hele generatie een nieuwe realiteit binnengeloodst. Dat is de generatie die te jong was om zich het EK van 1988 goed te kunnen herinneren, hoogstens baby was tijdens de WK-finale van 1978, en een jaar of -4 tijdens de WK-finale van ’74. Deze generatie, mijn generatie, wist niet beter of het eigentijdse Oranje zou altijd stranden in de voorrondes.

Nu maken wij een Nederlands elftal mee dat niet in een of andere laffe troostfinale staat, wij staan in de enige échte finale. In de herinnering van deze generatie was het spelen van een WK-finale voorbestemd voor Hollandse mannen met lange haren en bakkebaarden. Echte kerels die na hun voetbalcarrière een sigarenzaak moesten openen om rond te komen. Niet zomaar voetballers die in een WK-finale mochten spelen maar iconen: Van Hanegem, Neeskens, Haan, Rensenbrink, en bovenal: Cruijff.

Dat gold eigenlijk ook voor de EK-finale van ’88. Dat waren ook helden, en daarom mochten ze in de finale de Russen verslaan. Gullit, Rijkaard, Koeman en bovenal: Van Basten.

En de moderne voetballers? Sneijder, Van Persie, Robben en co? Zijn die wel heldhaftig en iconisch genoeg om een plek te kunnen opeisen in het collectieve geheugen van onze generatie? Kunnen ze wel op tegen de mannen van weleer?

Het antwoord op die vraag luidde heel lang nee. De voetballers van Oranje tussen 1990 en 2008 waren verwend. Jongens van de patatgeneratie. Knapen met te weinig discipline, te veel praatjes en veel te veel geld. Mooiweervoetballers die faalden waar een echte man koelbloedig zou zijn. Jongens als Richard Witschge, Bryan Roy, Clarence Seedorf, Dennis Bergkamp, Patrick Kluivert. Barstensvol talent, maar een icoon? Nooit. En dus gingen we WK na EK na WK na EK kansloos onderuit. Ook dit WK waren alle ingrediënten hiervoor aanwezig. Wesley Sneijder was net zo arrogant als Edgar Davids, Robin van Persie net zo verongelijkt als Clarence Seedorf, Arjen Robben net zo breekbaar als Richard Witschge. Tegen Brazilië zou het verhaal van onze generatie zich herhalen.

En toen wonnen we ineens. Voor het eerst won een Nederlands elftal van onze generatie op een WK van Brazilië. Nu staan we ‘gewoon’ in de finale.

Dat woordje ‘gewoon’ staat symbool voor onze nieuwe realiteit. Ik merk het aan mezelf. Tot de kwartfinale vond ik Wesley Sneijder een arrogant knaapje. In mijn geheugen gegrift stond zijn permanent gefronste hoofdje tijdens de verloren EK-wedstrijd van 2008 tegen Rusland. Daar stond geen icoon, daar stond een gefrustreerd jongetje.

Na de kwartfinale is mijn beleving van Wesley Sneijder ineens totaal veranderd. Ik moest wel. Nederland versloeg Brazilië, en tijdens een interview na de wedstrijd sprak Wesley Sneijder recht in de camera het Nederlandse volk toe. Blijf ons steunen, zei hij. En prompt zei ik: ‘Ja, Wesley, jou steun ik. Altijd.’ Een paar dagen later zag ik hem op het WK-journaal dollen met Dirk Kuijt. Wesley gaf een matige imitatie weg van assistent-bondscoach Frank de Boer. ‘Haha, dollen kan-ie ook nog’, dacht ik opgewekt. ‘Hahaha. Die Wesley.’

Het werkt dus andersom. Niet het heldendom bepaalt het succes, maar het succes bepaalt het heldendom. En tenzij Nederland die finale zondag vreselijk gaat verliezen, zal het verhaal van de verwende straatjochies het in ons geheugen gaat afleggen tegen een herinnering aan een stel helden.

Ingmar Vriesema (29) is redacteur van NRC Handelsblad