Macht naar de Kamer

De informateurs Rosenthal (VVD) en Wallage (PvdA) hebben een veelbelovende start gemaakt bij hun poging een kabinet van VVD, PvdA, D66 en GroenLinks te smeden. Hieraan moet uiteraard worden toegevoegd dat dit allerminst een garantie is voor een succesvolle voltooiing.

Dat de vier betrokken fractieleiders nu echt onderhandelen over inhoudelijke onderwerpen, is van betekenis. Maar vooral interessant zijn de uitgangspunten die Rosenthal en Wallage hanteren. Mede geïnspireerd door hun voorganger als informateur, Tjeenk Willink, kiezen ze voor een regeerakkoord dat zich tot hoofdlijnen beperkt en zo de Tweede Kamer een veel grotere en invloedrijkere rol geeft.

Het is een keuze die bij elke formatie zou moeten gelden, ongeacht de kleur van de beoogde coalitie. Daarmee wordt de macht meer uitgeoefend op de plek waar dat hoort: het parlement. Coalitiefracties zullen gebonden zijn aan de hoofdlijnen van het akkoord, maar kunnen vrij besluiten over andere onderwerpen. Dat maakt het mogelijk dat besluitvorming in de Tweede Kamer via wisselende meerderheden tot stand komt, vergroot dus de kansen voor partijen die niet in het kabinet zijn vertegenwoordigd en vergt van regeringsfracties dat ze hun verlies nemen zonder meteen uit het kabinet te stappen. Kortom: dualisme.

Vraag één is dan ook wat de hoofdlijnen van een regeerakkoord zijn. Die zouden moeten gaan over wat Tjeenk Willink in een persoonlijke bijlage bij zijn eindrapport „onloochenbare feiten” heeft genoemd – feiten waarover de twee informateurs vanochtend lieten weten dat ze die delen. Die feiten zijn ten eerste het bestaan van drie crises: financieel-economisch, ecologisch en bestuurlijk. Feit is ook dat zij slechts adequaat te bestrijden zijn in het verband van de Europese Unie en met behulp van een stabiele euro. Het derde ‘onloochenbare feit’: de noodzaak van forse bezuinigingen samen met het stimuleren van duurzame economische groei.

Een combinatie van forse bezuinigingen, hervormingen en investeringen dus, zoals Wallage vanochtend opmerkte.

Een regeerakkoord bereiken over deze hoofdpunten zal al ingewikkeld genoeg zijn. En beperking daartoe zou de gewenste snelle totstandkoming van een kabinet bevorderen. Een andere aanbeveling van Tjeenk Willink, die de informateurs terecht overnemen, is om de daadwerkelijke formatie, het aanwijzen van ministers en staatssecretarissen, in het proces naar voren te halen, in plaats van er, zoals gewoonlijk, een haastig en slordig uitgevoerd sluitstuk van te maken. Zo kan er ook serieus werk worden gemaakt van een constituerend beraad dat beoogde ministers daadwerkelijk invloed geeft op het regeerakkoord en hen eraan committeert.

Interessant is ten slotte de suggestie van Tjeenk Willink, de vicepresident van de Raad van State, dat partijleiders in de Tweede Kamer blijven en dus geen ministerspost bezetten („anders dan bij gemotiveerde uitzondering”). Ook dat kan bijdragen aan versterking van de positie van het hoogste orgaan dat Nederland kent: de volksvertegenwoordiging.