In één zin deelde hij drie, vier tikken uit

Necrologie De wereld was misschien aan Jan Blokker gewend geraakt, maar Jan Blokker niet aan de wereld. Gisteren overleed hij. Als columnist had hij altijd gestreden tegen „de dictatuur van de kletskoek”.

Een columnist mocht nooit versagen, vond Jan Blokker, hij moest er in zijn krant altijd zijn. Hij had dan ook besloten zelf door te gaan tot hij ‘erbij neerviel’. Toen hij in 2003 ernstig ziek werd en bestralingen voor longkanker moest ondergaan, bleef hij zijn column voor de Volkskrant schrijven – tot stomme verbazing van de behandelende arts. „Ik heb een talent voor verdringing”, zei hij later.

Des te navranter moet het voor hem geweest zijn toen niet een ziekte, maar een in de kern klein conflict hem in 2006 dwong afscheid te nemen van ‘zijn’ krant, de Volkskrant, waarin hij als columnist vanaf 1968 was uitgegroeid tot het satirisch-intellectuele geweten van de Nederlandse journalistiek en, in zeker opzicht, van de hele samenleving.

Dit conflict ging niet over zijn columns, maar over de frequentie van zijn boekbesprekingen die de boekenredactie wilde verlagen. In zijn afscheidsstukje Weg schreef Blokker op 1 juli 2006 bitter: „Blijkbaar niemand heeft al die tijd bedacht dat ik me als een snotjongen behandeld kon voelen. Blijkbaar is ook geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat ik na vijf of zes herhaalde maar vergeefse ‘protesten’ bij de aardige hoofdredacteur, wel tot de conclusie moest komen dat ze me niet meer lustten. Het is jammer. Ik neem met pijn in het hart afscheid van een even spannende als capricieuze krant.”

De ombudsman van de Volkskrant spaarde zijn hoofdredactie in dit conflict allerminst: „Wat je de hoofdredactie kunt verwijten, is dat zij het conflict te lang heeft laten voortbestaan, wat Blokker (ten onrechte) sterkte in het idee dat hij niet meer gewenst was. Ik vermoed dat de hoofdredacteur de woede en het ego van Blokker heeft onderschat.”

Achteraf blijft de breuk iets onbegrijpelijks houden. Waarom kwam er geen vergelijk? Beide partijen kwamen er gehavend uit: de krant die zich de toorn van talrijke lezers op de hals haalde, maar ook de columnist, die zich van zijn trouwe lezers afsneed en op zoek moest naar een nieuw publiek, dat hij bij nrc.next (columns) en NRC Handelsblad (boekrecensies) vond. Bijna vijftig jaar ouder dan de gemiddelde nrc.next-lezer bleef hij volledig zichzelf in al zijn erudiete grimmigheid.

Was er in zijn relatie met de Volkskrant misschien te veel oud zeer geweest? Al eerder viel bij Blokker enige wrevel over zijn krant te bespeuren. Er was de laatste jaren nogal geschoven met de plek van zijn column en hij was ongerust over de politieke koers van de krant. De Volkskrant had „van oudsher een goed afgestelde radar voor de tijdgeest”, spotte hij in 2004 in Vrij Nederland. „Op dit moment is het dilemma: op welke boot stappen we nu? Gaan we mee op de boot van Ellian en Wilders? Dat is het spoor van Hendrik Jan Schoo. Schoo is Leon de Winter, Joost Zwagerman en Afshin Ellian bij elkáár. Die boot betaalt zich tijdelijk wel uit, maar zal de krant heus niet uit de dip halen.”

Nu kritiseerde Blokker het beleid van zijn eigen krant wel vaker, en ook jende hij graag zijn lezers, vooral degenen die in de door hem verafschuwde welzijnssector werkten en menswetenschappen, zoals sociologie en psychologie, hadden gestudeerd.

„Je kunt ’s morgens tussen 9 en 10 uur de radio niet aanzetten”, schreef hij, „of er zitten vier mensen in de luidspreker die de menswetenschap beoefenen, en na tien minuten luisteren sta je tot aan je enkels in een plas woorden – je drijft bij wijze van spreken je eigen kamer uit van de intermenselijkheid, de sociale controle, de conflictcorrectie en de intrinsieke waarde van het samenlevingsmodel.”

Het was, samengevat, „de dictatuur van de kletskoek”.

Al die kritiek maakte hem er bij zijn lezers niet minder geliefd op, integendeel. Hij heeft er vaak op gewezen dat hij juist uit de door hem bespotte kringen veel tips voor nieuwe stukjes kreeg.

Je zou Blokker kunnen beschouwen als een sarcastische personificatie van het gezond verstand, die altijd lastige vragen bleef stellen over de wanen van de week. Nuchterheid en argwaan waren de wapens waarmee hij de misplaatste pretenties van anderen – vaak gezagsdragers – te lijf ging. In die zin was hij een geestverwant van andere columnisten die in zijn bloeiperiode opkwamen, zoals Hugo Brandt Corstius, Renate Rubinstein, H.J.A. Hofland en Karel van het Reve. Zij vormden, met zachtaardiger collega’s als Simon Carmiggelt, Nico Scheepmaker en J.L. Heldring, een indrukwekkende generatie die een scherp stempel op het naoorlogse Nederland gedrukt heeft.

„Blokker al gelezen?”

Dat was de standaardzin waarmee lezers van de Volkskrant elkaar begroetten. Doorgaans was men het wel met hem eens, en als dat niet het geval was, viel er toch altijd wel wat te lachen. Humor, vileine humor, is steeds een sterk punt van Blokker geweest. In soepele volzinnen kon hij uithalen met een flitsende, soms herhaalde karakterisering (‘De reusachtige Nuis’, ‘meisje Maij’, ‘kereltje Pechtold’ ), die het slachtoffer nog lang zou worden nagedragen.

Als hij op dreef was, deelde hij in één zo’n zin drie, vier tikken uit. „Dat Janmaat ooit lesgegeven heeft is al beschamend genoeg voor de stand van het onderwijs in Nederland – al doceerde hij dan slechts het soort handwerken dat in onze zestiger pretjaren ‘maatschappijleer’ werd gedoopt.”

In deze zin zijn enkele van zijn belangrijkste bêtes noires ondergebracht: groezelig-rechts, het verwaarloosde onderwijs en de jaren zestig en zeventig die hij in een essay ook wel ‘de verknoeide jaren’ heeft genoemd. In dat essay uit 1982 schreef hij nu eens niet ironisch, maar ernstig: „In de euforie en mét de euforie hebben we een klimaat laten ontstaan van anti-intellectualisme, van, letterlijk, ondoordachtheid, van een angstige breuk in de continuïteit van de geschiedenis.” Hij vreesde ‘niemandslanden’, waarin fascisme, racisme en seksisme gemakkelijk wortel konden schieten.

Waar stond hij politiek? Links was hem liever dan rechts, maar hij had voldoende bezwaren tegen links om zijn best verkochte verzamelbundel in 1974 Ben ik eigenlijk wel links genoeg? te noemen. In een interview zei hij in 1993: „Ik heb heel gedifferentieerd gestemd. PvdA, maar nooit linkser. En voor de Provinciale Staten D66. Ik heb zelfs wel eens VVD gestemd voor de gemeenteraad.”

Hij wantrouwde idealisten, iemand als Den Uyl vond hij maar een ‘rare man’. Zelf rekende hij zich tot de ‘geboren sjoemelaars’: „Mensen die de mazzel hebben het zonder kordate beslissingen een heel eind te kunnen redden.”

Toen hij in de jaren zeventig kanttekeningen plaatste bij het beginselvaste gedrag van Russische dissidenten, kreeg hij scherpe verwijten van Nico Scheepmaker: „Als ik het goed begrijp redeneert Jan Blokker dus als volgt: ik ben een sjoemelaar, en daarom houd ik niet van die dissidenten, die op een gegeven moment met sjoemelen gestopt zijn of er nooit aan zijn begonnen.”

Blokker, in 1927 in Amsterdam-West geboren en opgegroeid, kwam uit een tolerant, liberaal nest. Zijn moeder was een Friezin, zijn vader verdiende de kost op een effectenkantoor. Religie speelde geen belangrijke rol, Blokker noemde zijn ouders ‘buitenkerkelijk remonstrants’.

Hij beschreef zichzelf in interviews vaak als een buitenstaander, niet iemand van grote vriendschappen. „Ik was niet een sociabel kind. En ik ben ook nooit een sociabel mens geworden. Ik ga nooit naar een café, bijvoorbeeld.”

De oorlogsjaren waren bepalend voor zijn bewustwording. Dertien was hij toen de Tweede Wereldoorlog begon, even oud als Hofland. „Je voelde je in je eigen leven heel beschermd, terwijl je verdomd goed besefte wat er in de wereld gebeurde. Dat heeft bij ons allebei een soort scepsis doen ontstaan ten aanzien van de samenleving. Je hoort erbij en je houdt tegelijk afstand.”

Na de hbs, het staatsexamen gymnasium en onvoltooide studies Nederlands en geschiedenis werd hij verslaggever bij Het Parool. Hij had kort daarvoor, in 1951, de Reina Prinsen Geerligsprijs gekregen voor zijn literaire debuut Séjour. Na drie jaar stapte hij over naar het Algemeen Handelsblad, waar hij een toonaangevend filmredacteur zou worden en zijn eerste cursiefjes ging schrijven. Hij groeide uit tot de belangrijkste steunpilaar van een nieuwe filmgeneratie, de nouvelle vague van Nederland. Later relativeerde hij het belang ervan: „Johan van der Keuken, dat is toch de enige echt goede.”

In de jaren tachtig keerde hij terug in de filmwereld, nu als voorzitter van het Productiefonds voor de Nederlandse film. Hij kwam in die functie vaak in botsing met Paul Verhoeven, van wie hij scenario’s afwees. Verhoeven vertrok daarop naar Amerika.

Blokker trouwde met Anneke Haanappel, met wie hij vier kinderen zou krijgen. „Hoewel ze allemaal een eigen leven leiden”, zei hij in 1971, „is het toch één geheel. Ik heb sterk het bolwerk-gevoel, wat mijn vader ook had.” Veel later, in de volgende eeuw, zou hij met zonen Jan en Bas veelgelezen boeken over vaderlandse en bijbelse geschiedenis schrijven.

De naam van Blokker zal op maatschappelijk gebied vooral verbonden blijven aan twee links-progressieve instituten: de VPRO en de Volkskrant. Hij had in 1968 ontslag genomen bij het Algemeen Handelsblad, toen uitgever NDU ging samenwerken met De Telegraaf. Zijn belangrijkste tv-ervaring was tot dan toe het roemruchte satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer. Bij de VPRO zou hij van 1968 tot 1979 als hoofd informatieve programma’s grote invloed op de nieuwe, spraakmakende koers hebben. Met het amusement van Wim T. Schippers had hij weinig affiniteit, maar voor de documentairemakers ontpopte hij zich als een inspirerend leider, ook jaren later toen hij met het programma Diogenes de Nipkowschijf won.

Dezelfde rol kreeg hij toebedeeld bij de inmiddels ex-katholieke Volkskrant, waar hij in 1979 adjunct-hoofdredacteur werd. Zijn deur stond altijd open, ook voor jonge redacteuren, hij initieerde en enthousiasmeerde. „Ik wilde die rare linksigheid, die modieusheid eruit hebben, vooral in de politieke en softe hoek, en ook een beetje in de kunst.”

Het lukte hem, al kon hij niet verhinderen dat de Volkskrant zich bij de troonsafstand van Juliana, op Koninginnedag 1980, zozeer te buiten ging aan tendentieuze berichtgeving dat ruim 1.100 abonnees opzegden.

Blokkers kwalificatie ‘de verknoeide jaren’ voor de jaren zestig en zeventig ging, paradoxaal genoeg, niet op voor de krant en de omroep die juist aan die periode hun identiteit ontleend hadden. Voor de VPRO en de Volkskrant waren het vruchtbare jaren, mede dankzij Blokker, die in die periode als satiricus materiaal te over had.

Al die jaren bleef hij zijn columns en recensies schrijven, naast boeken over geschiedenis, zijn grote hobby, kinderboeken en scenario’s voor films (Fanfare, Makker staakt uw wild geraas) en tv-drama (Bij nader inzien, De partizanen). Een indrukwekkende productie die hem veel prijzen bracht (Gouden Kalf, Gouden Ganzenveer, de Machiavelliprijs) en zelfs een ridderorde, die hij tot veler verbazing accepteerde.

De afgelopen twintig jaar viel regelmatig, vooral onder journalisten, de klacht te horen dat „Blokker nu wel zijn beste tijd gehad heeft”. Hij haalde zijn schouders op en schreef onverdroten door in een proza dat even springlevend was als in zijn beginperiode. De wereld was misschien aan hem gewend geraakt, maar hij niet aan de wereld. Zijn thema’s waren onvermijdelijk deels dezelfde, vorm en stijl bleven voor de doorsneelezer overtuigend.

Toen Pim Fortuyn aan de macht probeerde te komen, leek Blokker zich zelfs meer dan ooit in zijn element te voelen. Hoewel hij weinig sympathie had voor de PvdA van Melkert zag hij niets in Fortuyn: „Nog vijf peilingen en Leefbaar Nederland heeft de absolute meerderheid. Nog tien, en Pim Fortuyn is definitief de Mussolini van de eenentwintigste eeuw geworden.”

Na lezing van Fortuyns boek De puinhopen van acht jaar Paars zag hij in Fortuyn ook nog „de Jean-Marie le Pen, de Flip [sic] de Winter, de Jörg Haider en de nieuwe Hans Janmaat van Nederland”.

Het werd Blokker niet in dank afgenomen – niet door een aantal neoconservatieve collega-columnisten en nog minder op talrijke websites. Blokker bleef er stoïcijns onder, hij reageerde vrijwel nooit op kritiek. Ook de prominente sympathisanten van Fortuyn – van Herben tot Hirsi Ali, Verdonk en Wilders – konden op zijn verachting rekenen. De ‘fundamentalistische kant’ van Hirsi Ali en haar vrienden vond hij ‘doodeng’. Alleen voor Theo van Gogh als persoon had hij een zwak, maar aan diens ‘heiligverklaring’ na zijn dood ergerde hij zich ‘suf’.

De columns van Blokker gingen hoofdzakelijk over de actualiteit en hij besefte dat ze daarom snel gedateerd zouden zijn. „Over een tijdje zijn ze verloren, weg. Nee hoor, dat kan mij niets schelen. Het ligt voor de hand. Dit is wat er van mij overblijft: een mannetje van de krant.”