Gij zult niet liegen, lekken en lokken

Elke woensdag wordt een filosofisch dilemma besproken naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waarom is liegen een taboe?

„Nee! Nee! Nee! Op het boek heeft nooit het woord ‘waargebeurd’ gestaan.” Chris ten Kate, de uitgever van Maria Mosterds bestseller Echte mannen eten geen kaas (2008) is zo moedig om in een uitzending van De Wereld Draait Door tegenover een inquisitie van Peter R. de Vries, Hugo Borst en Matthijs van Nieuwkerk vol te houden dat hij en Mosterd de kluit niet hebben belazerd. Er was veel ophef toen in mei dit jaar duidelijk werd dat Mosterds autobiografische relaas van een vermeend slachtoffer van een loverboy, meer fictie dan non-fictie bleek. „Een authentiek en ontroerend verslag”, dát had altijd op het omslag gestaan, verdedigt Ten Kate zich, maar „nooit waargebeurd”.

Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik nog nooit een loopje met de waarheid heb genomen. Want liegen en bedriegen doen we nogal eens. Spreek voor jezelf, denkt u misschien, maar afgaande op vele psychologische onderzoeken mogen we ervan uitgaan dat een mens vele malen per dag liegt. En wees eens eerlijk, u en ik weten dat dit overbodig onderzoek is. Wil je een beetje fatsoenlijk voor de dag komen, dan moet je niet altijd eerlijk zijn. Op het sportveld zeggen we: „Jammer joh, van die bal, daar kon je echt niet meer bij.” We denken: vind je het gek als je zo dik bent. Op een schoolreünie zeggen we: „Je hebt het goed voor elkaar zo te horen.” We denken: oef, wat is die burgerlijk geworden!

Om nog maar te zwijgen van al die keren dat we een waargebeurd verhaal net even iets leuker vertellen dan hoe het in werkelijkheid ging. Deze leugens vallen ons niet eens meer op, omdat we zelf ook liever in een mooi verhaal geloven. Maar leugens blijven niet bij deze individuele zwaktes, ze liggen nog dieper in onze cultuur verankerd. Elke natie beschikt over hoge overheidsinstanties die beroepshalve het liegen voorschrijven, waarvoor hun medewerkers zelfs de eed dienen af te leggen. Toen ik eens per toeval (echt, geloof me) iemand van de AIVD sprak, vroeg ik in al mijn naïviteit: dan kent u vast... ik noemde een naam. De reactie was: „Ik ken haar niet – de AIVD is zo’n grote organisatie – maar zou ik haar kennen dan mogen wij dat niet zeggen.” Alle Kretenzers liegen, ging er door me heen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor artsen, die vanwege hun beroepsgeheim de waarheid geregeld moeten verdraaien. En dan is er van overheidswege nog het voorstel voor de lokjood. Ook dat lijkt me in strijd met de tien Hebreeuwse geboden.

De mens liegt kortom dat het een aard heeft. Een psychologische vraag zou zijn: waarom liegen we eigenlijk? De filosofische kwestie is: waarom is liegen eigenlijk taboe? Waarom hechten we zo aan het woord, als we het veel vaker niet houden? Vanwaar de verontwaardiging als we iemand op een leugentje betrappen?

Zoals bij Maria Mosterd. Hoe kwaadaardig is zo’n leugen? Laten we aannemen dat ze wat overdreven heeft, maar dat ze slachtoffer genoeg is om het van zich af te willen schrijven. Vóór de ontmaskering ervan, was Mosterd als lotgenoot met haar boek een steun voor vele loverboyslachtoffers. Is het lot van deze slachtoffers niet meer waard dan dat van de 160.000 lezers? Moeten we deze lezers zelfs wel gedupeerden noemen, omdat ze een mooi boek hebben gelezen waarvan ze dachten dat iedere zin letterlijk genomen moest worden? Het enig kwaadaardige gevolg van haar overdrijvingen is dat toen deze aan het licht kwamen de angst ontstond onder echte slachtoffers dat hún verhaal niet meer geloofd zouden worden.

Een ander voorbeeld dan. Een medewerker van de AIVD met het hart op de juiste plaats, laten we haar He- leen S. noemen, krijgt een rapport onder ogen dat bezwaarlijke feiten bevat over een kabinetsbesluit over een foute oorlog. Is het lekken naar de grootste Nederlandse ochtendkrant dan niet juist in landsbelang?

Of neem nu het bedrog van lokjoden, daarvan zou je kunnen zeggen dat het toch een goede zaak dient. Want dat is natuurlijk de onderliggende gedachte van veel van onze leugens, ze dienen uiteindelijk een moreel hoger doel.

De filosofische stroming die deze het-doel-heiligt-de-middelen redenering tot haar systeem heeft gemaakt heet het utilitarisme. Volgens deze filosofie – groot gemaakt door de Engelse Jeremy Bentham (1748-1832) – is alles geoorloofd als het tenminste leidt tot het grootste geluk voor de grootste groep. Dat klinkt misschien redelijk, maar als het onderdrukken van een kleine groep bijdraagt aan het geluk van de grootste, dan kan het al door de utilitaristische beugel. Tenzij de grootste groep niet kan leven met die gedachte van onderdrukking natuurlijk, want dan wordt de grootste groep toch nog ongelukkig. De moderne samenleving toont echter iedere dag aan dat de grootste groep hiermee prima kan leven. We mogen dus vaststellen dat we allen utilitarist zijn, in hart en nieren. En daarmee lijkt een moreel dilemma met betrekking tot de leugen van tafel. Liegen mag onder de voorwaarde dat het bijdraagt aan het grootste geluk voor de grootste groep. Ik denk dat vrijwel iedereen dit ook onderschrijft.

Er bestaat echter hardnekkig verzet tegen deze gedachte. De Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) wijst de leugen categorisch af, ook als deze een moreel hoger doel dient. Het is zelfs niet geoorloofd schrijft hij in Fundering voor de metafysica van de zeden, dat je met een leugen iemand ervan weerhoudt een moord te plegen. „De persoon die liegt, is verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn leugen, hoe edelmoedig zijn intentie ook was, zelfs voor de rechtbank, hoe onvoorzien de gevolgen ervan ook kunnen zijn: oprechtheid is een plicht die als een grondslag kan worden beschouwd van alle plichten die op overeenkomsten zijn gebaseerd. Wanneer de wetten daarop maar de minste uitzondering zouden toestaan, zouden ze onduidelijk en nutteloos worden.”

Vanwege het extreme voorbeeld van Kant – dat in ieder filosofisch handboek gretig tegen hem wordt gebruikt – zijn er niet veel openlijke steunbetuigingen aan diens zogeheten plichtethiek. Maar zijn redenering is sterker dan die van de utilitarist: een samenleving waarin de leugen systematisch is gelegitimeerd, heeft zogezegd geen ruggengraat meer. Als we geen mens nog aan zijn woord kunnen houden, is in principe niemand meer te vertrouwen. Daarmee vervalt de belangrijkste basis voor een samenleving. Niets is nog wat het lijkt.

Het is al erg genoeg dat we sinds 11 september onder ieder hoofddoekje een terrorist vermoeden, en dat we sinds kort alle joden in Amsterdam-West aanzien voor lokjoden, maar als de mens het taboe op de leugen helemaal loslaat, dan komt het slechtste scenario van Kants filosofie uit: een samenleving bestaat niet meer uit mensen, maar alleen nog uit lokmensen. Ze doen zich alleen nog voor als morele wezens, maar een moraal hebben ze niet.

Of een leugen voor een hoger doel is toegestaan, blijft in theorie een onoplosbaar dilemma. Dat lijkt een mager resultaat van deze filosofische exercitie, maar het verklaart en passant wel waarom we de leugen zo driftig bestrijden, terwijl we ondertussen gewoon lekker door liegen.

Ik denk dat met eerlijkheid en oprechtheid hetzelfde aan de hand is als wat Kant terecht beweert over onze vrijheid. We piekeren er niet over om het idee op te geven dat we vrije mensen zijn, toch is er geen situatie denkbaar waarin we in volstrekte vrijheid handelen. Evengoed valt er niet te leven zonder de aanname dat de ander tenminste meent wat hij zegt, al weten we uit eigen ervaring dat dit helemaal niet het geval hoeft te zijn.

Volgens Plato was een leugen slechts voor één hoger doel geoorloofd, voor de waarheid. Ik denk dat Kant zich zo’n leugen heeft veroorloofd toen hij beweerde dat hij een poging tot moord niet met een leugen zou willen voorkomen. Dat gelooft toch niemand. Tuurlijk zou hij dat doen, maar hij had dit leugentje nodig om de waarheid over liegen boven tafel te krijgen.

Coen Simon is schrijver en filosoof. Kort geleden verscheen van hem Zo begint iedere ziener. Een filosofische ontdekking van de wereld. (Prometheus) www.coensimon.nl