"En nou genieten!"

Uiteraard wil ik liever geen roet in de feestvreugde gooien, maar toch bleef er ook gisteravond na afloop van ‘de wedstrijd’ vooral één vraag door mijn hoofd spoken: wanneer gaat het Nederlands elftal nou verdomme eindelijk eens behoorlijk voetballen?

Ik geef toe dat het een beetje een ongepaste vraag is, zeker tegen de achtergrond van alle euforische gevoelens, die op de tv zelfs culmineerden in de onvergetelijke aanblik van een speler (Wesley Sneijder) die giechelend langdurig plaatsnam op de knie van een NOS-journalist (Jack van Gelder) – leve de vrijende nieuwsgaring.

Hoe kwamen we er ook weer bij dat wij zo’n nuchter volkje zijn? En, schoot ook nog even door me heen, wat jammer dat Jan Blokker hier niet meer zijn meewarige blik op mocht laten rusten.

Van de ingevlogen voetbalanalisten op de tv was de ijverige Piet de Visser de enige die enkele kritische kanttekeningen dreigde te plaatsen, maar hij werd telkens opgewonden onderbroken door de voormalige doelwachter Hans van Breukelen die riep: „En nou genieten!”

Natuurlijk, genieten. Maar waarvan dan precies? Van het resultaat, inderdaad, een WK-finale halen is niet niks. Maar ik ben nu eenmaal zo’n ouderwetse voetballiefhebber die mooi spel wil zien, met vloeiende combinaties waarmee de tegenstander van de mat wordt geveegd.

Ik zie nu vooral angstig naar achteren kruipende spelers, die stiekem op een counterkansje hopen.

Tijdens alle wedstrijden van dit elftal heb ik gedacht: hoe lang nog? Zelfs bij 3-1 durfde ik gisteren nauwelijks naar het scherm te kijken.

We spelen slecht tot matig, en we weten het – van Bert van Marwijk tot De Telegraaf die onze ‘wereldklasse’ roemde – maar we praten er liever niet over. „Ik vond dat we de wedstrijd niet zo slecht begonnen, maar we raakten de greep op het middenveld kwijt”, zei Van Marwijk gisteren na afloop. Je hoorde hem denken: sorry, ik begrijp het ook niet, maar het is nu eenmaal zo, laten we er maar niet te lang bij stilstaan.

Nederland heeft klassespelers, maar ik zie hun klasse te weinig. Zij zoeken wanhopig naar hun beste vorm en kunnen alleen bij momenten overtuigen. Hoe kan dat? Geen voetbalanalist die het weet. Vroeger speelden we mooi en wonnen we niks, nu spelen we lelijk en winnen we alles: nog maar één wedstrijdje en „we hebben de wereldtitel”. Zou het?

„Iedereen in Nederland schijnt een finale tegen Duitsland te willen”, schreef de Brit David Winner in deze krant.

Ik zie er, eerlijk gezegd, nu al tegenop. De Duitsers spelen verreweg het beste voetbal, twee klassen beter dan Nederland. Ik ben nog van de generatie die ‘1974’ heeft meegemaakt en ik vind één zo’n ervaring eigenlijk wel genoeg.

Maar laat ik niet te somber worden. Elk elftal heeft op zo’n toernooi minstens één off-day, misschien hebben de Duitsers die tegen ons – wie weet vanavond al tegen Spanje. Ook is het waar dat elk elftal op zo’n toernooi minstens één goede wedstrijd speelt. Misschien spelen wij die zondag. Alles valt opeens op z’n plek. De Jong speelt Schweinsteiger uit de wedstrijd, Sneijder domineert negentig minuten lang op het middenveld, Van Persie scoort fabelachtig.

En na afloop mogen we live getuige zijn van de geslachtelijke vereniging van Wesley Sneijder met Jack van Gelder.