Een mannetje van de krant

Gisteren overleed Jan Blokker. Hij werd 83.

Blokker was het satirisch-intellectuele geweten van de journalistiek en, in zeker opzicht, van de samenleving.

Frankrijk, Avallon, 06-08-07 Jan Blokker. © Foto Merlin Daleman
Frankrijk, Avallon, 06-08-07 Jan Blokker. © Foto Merlin Daleman

Een columnist mocht nooit versagen, vond Jan Blokker, hij moest er in zijn krant altijd zijn.

Blokker (1927) had besloten door te gaan tot hij ‘erbij neerviel’. Toen hij in 2003 ernstig ziek werd en bestralingen voor longkanker moest ondergaan, bleef hij zijn column voor de Volkskrant schrijven – tot stomme verbazing van de behandelend arts. „Ik heb een talent voor verdringing”, zei hij later. Des te navranter moet het voor hem geweest zijn toen niet een ziekte, maar een in de kern klein conflict hem in 2006 dwong afscheid te nemen van ‘zijn’ krant, de Volkskrant, waarin hij als columnist vanaf 1968 was uitgegroeid tot het satirisch-intellectuele geweten van de Nederlandse journalistiek en, in zeker opzicht, van de hele Nederlandse samenleving.

Dit conflict ging niet over zijn columns, maar over de frequentie van zijn boekbesprekingen die de boekenredactie wilde verlagen. In zijn afscheidsstukje Weg schreef Blokker op 1 juli 2006 bitter: „Blijkbaar niemand heeft al die tijd bedacht dat ik me als een snotjongen behandeld kon voelen.”

Achteraf blijft de breuk iets onbegrijpelijks houden. Waarom was er geen vergelijk mogelijk geweest? Beide partijen kwamen er gehavend uit: de krant die zich de toorn van talrijke lezers op de hals haalde, maar ook de columnist zelf die zich van zijn trouwe lezers afsneed en op zoek moest naar een nieuw publiek, dat hij bij nrc.next en NRC Handelsblad (boekrecensies) vond. Bijna vijftig jaar ouder dan de gemiddelde nrc.next-lezer bleef hij volledig zichzelf in al zijn erudiete grimmigheid.

In zijn columns leek hij zo goed als leeftijdloos. Dankzij zijn indrukwekkende geheugen kon hij ook de next-lezer fijntjes wijzen op parallellen tussen heden en verleden. Soms verbond hij een herinnering uit zijn eigen jeugd (paling met Oudjaar) aan een hedendaags thema (overbevolking).

Je zou Blokker kunnen beschouwen als een sarcastische personificatie van het gezond verstand, die altijd lastige vragen bleef stellen over de wanen van de week. Nuchterheid en argwaan waren de wapens waarmee hij de misplaatste pretenties van anderen – vaak gezagdragers – te lijf ging. In die zin was hij een geestverwant van andere columnisten die in zijn bloeiperiode opkwamen, zoals Hugo Brandt Corstius, Renate Rubinstein, H.J.A. Hofland en Karel van het Reve. Zij vormden, met zachtaardiger collega’s als Simon Carmiggelt, Nico Scheepmaker en J.L Heldring, een indrukwekkende columnistengeneratie die een scherp stempel op het naoorlogse Nederland gedrukt heeft.

„Blokker al gelezen?”

Dat was de standaardzin waarmee lezers elkaar begroetten. Doorgaans was men het wel met hem eens, en als dat niet het geval was, viel er toch altijd wel wat te lachen. Humor, vileine humor, is steeds een sterk punt van Blokker geweest. In soepele volzinnen kon hij uithalen met een flitsende, soms herhaalde karakterisering (‘De reusachtige Nuis’, ‘meisje Maij’, ‘kereltje Pechtold’ ), die het slachtoffer nog lang zou worden nagedragen.

Als hij op dreef was deelde hij in één zo’n zin drie, vier tikken tegelijk uit. „Dat Janmaat ooit lesgegeven heeft is al beschamend genoeg voor de stand van het onderwijs in Nederland – al doceerde hij dan slechts het soort handwerken dat in onze zestiger pretjaren ‘maatschappijleer’ werd gedoopt.”

Waar stond hij politiek precies? Links was hem liever dan rechts, maar hij had voldoende bezwaren tegen links om zijn best verkochte verzamelbundel in 1974 Ben ik eigenlijk wel links genoeg? te noemen. In een interview zei hij in 1993: „Ik heb heel gedifferentieerd gestemd. PvdA, maar nooit linkser. En voor de Provinciale Staten D66. Ik heb zelfs wel eens VVD gestemd voor de gemeenteraad.”

Hij wantrouwde idealisten, iemand als Den Uyl vond hij maar een „rare man”. Zelf rekende hij zich tot de „geboren sjoemelaars”: „Mensen die de mazzel hebben het zonder kordate beslissingen een heel eind te kunnen redden.”

Toen hij in de jaren zeventig sceptische kanttekeningen plaatste bij het beginselvaste gedrag van Russische dissidenten, kreeg hij scherpe verwijten van collega-columnist Nico Scheepmaker: „Als ik het goed begrijp redeneert Jan Blokker dus als volgt: ik ben een sjoemelaar, en daarom houd ik niet van die dissidenten, die op een gegeven moment met sjoemelen gestopt zijn of er nooit aan zijn begonnen.”

Blokker, in Amsterdam-West geboren en opgegroeid, kwam uit een tolerant, liberaal nest. Zijn moeder was een Friezin, zijn vader verdiende de kost als kantoorbediende op een effectenkantoor. Religie speelde geen belangrijke rol, Blokker noemde zijn ouders „buitenkerkelijk remonstrants”.

Hij beschreef zichzelf in interviews vaak als een buitenstaander, niet iemand van grote vriendschappen. „Ik was niet een sociabel kind. En ik ben ook nooit een sociabel mens geworden. Ik ga nooit naar een café, bijvoorbeeld.”

De oorlogsjaren waren bepalend voor zijn bewustwording. Dertien was hij toen de Tweede Wereldoorlog begon, even oud als Hofland. „Je voelde je in je eigen leven heel beschermd, terwijl je verdomd goed besefte wat er in de wereld gebeurde. Dat heeft bij ons allebei een soort scepsis doen ontstaan ten aanzien van de samenleving. Je hoort erbij en je houdt tegelijk afstand.”

Na de hbs, het staatsexamen gymnasium en onvoltooide studies Nederlands en geschiedenis werd hij verslaggever bij Het Parool. Hij had kort daarvoor, in 1951, de Reina Prinsen Geerligsprijs gekregen voor zijn literaire debuut Séjour. Na drie jaar stapte hij over naar het Algemeen Handelsblad, waar hij een toonaangevend filmredacteur zou worden en zijn eerste cursiefjes ging schrijven. Hij groeide uit tot de belangrijkste steunpilaar van een nieuwe filmgeneratie, de nouvelle vague van Nederland. Later relativeerde hij het belang ervan: „Johan van der Keuken, dat is toch de enige echt goede.”

Blokker trouwde met Anneke Haanappel, met wie hij vier kinderen zou krijgen. „Hoewel ze allemaal een eigen leven leiden”, zei hij in 1971, „is het toch één geheel. Ik heb sterk het bolwerk-gevoel, wat mijn vader ook had.” Veel later, in de volgende eeuw, zou hij met zonen Jan en Bas veelgelezen boeken over vaderlandse en bijbelse geschiedenis schrijven.

De naam van Blokker zal op maatschappelijk gebied vooral verbonden blijven aan twee links-progressieve instituten: de VPRO en de Volkskrant. Hij had in 1968 ontslag genomen bij het Algemeen Handelsblad, toen de uitgever (NDU) ging samenwerken met De Telegraaf. Zijn belangrijkste tv-ervaring was tot dan toe het roemruchte satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer. Bij de VPRO zou hij van 1968 tot 1979 als hoofd informatieve programma’s grote invloed op de nieuwe, spraakmakende koers hebben. Met het amusement van Wim T. Schippers had hij weinig affiniteit, maar vooral voor de documentairemakers ontpopte hij zich als een inspirerend leider, ook jaren later toen hij met het programma Diogenes de Nipkowschijf won.

Dezelfde rol kreeg hij toebedeeld bij de inmiddels ex-katholieke Volkskrant, waar hij in 1979 als adjunct-hoofdredacteur in dienst trad. Zijn deur stond altijd open, ook voor jonge redacteuren, hij initieerde en enthousiasmeerde. „Ik wilde die rare linksigheid, die modieusheid eruit hebben, vooral in de politieke en softe hoek, en ook een beetje in de kunst.”

Al die jaren bleef hij zijn columns en recensies schrijven, naast boeken over geschiedenis, zijn grote hobby, kinderboeken en scenario’s voor films (Fanfare, Makker staakt uw wild geraas) en tv-drama (Bij nader inzien, De partizanen). Een indrukwekkende productie die hem veel prijzen bracht (Gouden Kalf, Gouden Ganzenveer, de Machiavelliprijs) en zelfs een ridderorde, die hij tot veler verbazing accepteerde.

De afgelopen twintig jaar viel regelmatig, vooral onder journalisten, de klacht te horen dat „Blokker nu wel zijn beste tijd gehad heeft”. Blokker haalde zijn schouders op en schreef onverdroten door in een proza dat even springlevend was als in zijn beginperiode. De wereld was misschien aan hem gewend geraakt, maar hij niet aan de wereld. Zijn thema’s waren onvermijdelijk voor een deel dezelfde, vorm en stijl bleven voor de doorsneelezer overtuigend.

Toen Pim Fortuyn aan de macht probeerde te komen, leek Blokker zich zelfs meer dan ooit in zijn element te voelen. Hoewel hij weinig sympathie had voor de PvdA van Melkert zag hij niets in Fortuyn: „Nog vijf peilingen en Leefbaar Nederland heeft de absolute meerderheid. Nog tien, en Pim Fortuyn is definitief de Mussolini van de eenentwintigste eeuw geworden.”

Na lezing van Fortuyns boek Puinhopen van acht jaar Paars zag hij in Fortuyn ook nog „de Jean-Marie le Pen, de Flip [sic] de Winter, de Jörg Haider en de nieuwe Hans Janmaat van Nederland”.

Het werd Blokker niet in dank afgenomen – niet door een aantal neoconservatieve collega-columnisten en nog minder op de talrijke rechts-radicale websites. Blokker bleef er in de krant stoïcijns onder, hij reageerde vrijwel nooit op kritiek. Ook de prominente sympathisanten van Fortuyn – van Herben tot Hirsi Ali, Verdonk en Wilders – konden op zijn verachting rekenen. De „fundamentalistische kant” van Hirsi Ali en haar vrienden vond hij „doodeng”. Alleen voor Theo van Gogh als persoon had hij een zwak, maar aan diens „heiligverklaring” na zijn dood ergerde hij zich „suf”.

De columns van Blokker gingen hoofdzakelijk over de actualiteit en hij besefte dat ze daarom snel gedateerd zouden zijn. „Over een tijdje zijn ze verloren, weg. Nee hoor, dat kan mij niets schelen. Het ligt voor de hand. Dit is wat er van mij overblijft: een mannetje van de krant.”

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Op de voorpaginafoto gisteren stond niet Jan Blokker maar Frans van Lier, een collega bij het Algemeen Handelsblad. Hierboven een foto uit 1959 waar Jan Blokker een sigaretje rookt. Foto Henk Jonker/MAI/HH