Een lintje in Libië dient ook strategisch belang

Tassen vol Delfts blauwe tegels. Een lintje, een gouden speld. Daarmee reisde een delegatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken afgelopen weekeinde naar Tripoli om de Libische autoriteiten andermaal te bedanken voor hun hulp na de vliegramp waarbij in mei 103 mensen omkwamen, onder wie zeventig Nederlanders.

De ontvangst was even hartelijk. De Nederlandse delegatie werd met sirenes van het ene naar het andere diner getransporteerd. De toespraken dropen van wederzijdse dankbaarheid.

Maar de cadeautjes en toespraken dienden ook een wederzijds strategisch belang: beide landen willen betere betrekkingen. Het Noord-Afrikaanse land heeft gas en olie, en zoekt investeerders voor grote infrastructurele projecten. Volgens het Internationaal Monetair Fonds groeit de Libische economie dit jaar 5,4 procent.

En Nederland wil, in het belang van de Europese Unie, dat Libië migranten uit Afrika bezuiden de Sahara ten zuiden van de Middellandse Zee houdt. Daarbij zegt Buitenlandse Zaken dat het uit humanitair oogpunt de Libische schendingen van de mensenrechten aan de kaak wil stellen.

Libië zoekt op zijn beurt Europese bondgenoten, als tegenwicht in de nog moeizame verhouding met de Verenigde Staten. Over vluchtelingen of mensenrechten praat het land liever niet. Die pijnpunten heeft secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken Ed Kronenburg daar nog niet aangesneden. Een dankbezoek is „niet de setting daarvoor”. Maar om „dit momentum vast te houden” voeren beide landen binnenkort opnieuw overleg. Dan is de context zakelijk. En dan is het menens – als het aan BZ ligt.

Libië: pagina 2