Stinkend rijk in een brij van bloed

Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr reist naar de Noordpool. Aflevering 2: Het eiland Amsterdam, Smeerenburg. „Traan. Het gesmolten spek van walvis.”

Een dikke walrus ligt te zonnen aan het strand. Hij lijkt niet bang voor ons en rekt zijn dikke lijf, waardoor zijn komische kop met slagtanden zichtbaar wordt.

„De mannetjes trekken stilaan weer naar deze streken toe”, zegt Louwrens, met een geweer over zijn schouder. „In de vorige eeuw waren ze bijna uitgeroeid. Ik heb ze op Moffeneiland nog zien liggen, de walruskoppen, hun gezichten afgezaagd omwille van twee tanden. In wezen kwamen we naar hier voor hen.”

Toen onze voorouders vier eeuwen geleden arriveerden aan de Arctische Pool, zag men echter al snel een ontzagwekkender winst opsproeien uit het water, als ontelbare oliefonteinen: walvissen. „Het krioelde ervan. Heel Europa had lampolie nodig in de zeventiende eeuw – en wij konden het leveren. Kapitalen verdienden wij aan traan.”

Traan. Het gesmolten spek van walvissen.

Staande in een snerpende wind bekijken we hier en daar een stapel stenen. Dit was het dus: het legendarische Smeerenburg. Na de hoogtijdagen bleef niets over van de nederzetting; geen kaarten, geen beschrijvingen, enkel de locatie zelf. Een volstrekt vergeten vlakte was het die archeoloog en fysisch geograaf Louwrens Hacquebord begin jaren ’80 opzocht. Met een wetenschappelijk team werden voor het eerst opgravingen verricht.

Ik vond het spannend Louwrens te ontmoeten. Wie legendes opdiept, wordt er vanzelf een beetje door aangeraakt. In een expeditieverslag met de uitstraling van een jongensboek vond ik een zwart-witfoto van hem, met baard en sjekkie. Dertig jaar later, kaler maar een blitse zonnebril rijker, vertelt hij ons over de voordelen van deze vlakte. „Je kon hier overal met schepen aanleggen. De walvissen hoefde je maar aan land te trekken.” Dat was trouwens een Hollandse uitvinding. Andere jagers sneden het beest in volle zee langszij aan flarden; Nederlanders trokken hun product aan land, om de handelswaar in etappes te verwerken. Zo werd een van de eerste nederzettingen in het Noordpoolgebied gesticht. In traankokerijen werd het spek gekookt en gesmolten. Het was een tergend traag proces: aan het eind van de zomer lag een walvis soms nog half gestript aan wal. Hij vroor vanzelf in. In de lente ging men verder waar men was gebleven.

Tot zover de technische details. Techniek is altijd proper en fraai. In het echte leven kon het bloed vanwege de permafrost niet in de bodem wegzakken. Het moet hier dus een moeras van rottend vlees zijn geweest. De stank van alle karkassen die zich mettertijd hadden opgehoopt was niet te harden. Verder kende de vlakte een totaal gebrek aan beschutting tegen de altijd razende wind.

„Geen Noor zou het in zijn hoofd halen om op zo’n plek te gaan zitten.” Alleen Hollanders deden zoiets. Niets van de opgravingen wijst erop dat de Nederlanders zich aanpasten aan het poolklimaat. Geen laarzen, geen rendierhuiden of speciale poolkledij: met lage schoenen zakten ze weg in de winst, een brij van bloed, sneeuw en traan. Alleen inlegzooltjes zijn gevonden, aldus Louwrens, geknipt uit het vilt van hun hoeden. Verder droegen ze de kleding die ze in Nederland hadden. Onze voorvaderen bestreden de natuur op eigen voorwaarden. Zij maakten land van water, fabrieken van ijs.

Ik trek de capuchon van mijn Gore-Tex jas nog dieper over mijn sneeuwmuts. Terwijl ik de wind langs alle kanten over me heen voel komen, blijf ik me maar afvragen: wat drijft een mens? Wat beweegt hem om naar deze streken te komen? Ik tuur rillend naar het van god verlaten landschap. Eén kolossale wervel steekt uit boven het smeltijs. Daarachter krabt een walrus zich lui met zijn vliezen achter de kop.

De volgende reisverslagen verschijnen op 8 en 9 juli.