Schouder aan schouder om beesies bedelen

Ik ben geen echte voetbalfan. Als Ajax in de Champions League speelt, drink ik net zo makkelijk een biertje in een kroeg zónder groot scherm. En voordat het WK begon, herkende ik niet elke Nederlandse speler. Soms ga ik naar de Amsterdam Arena, echter alleen uit antropologische overwegingen.

Maar als ik de bal dan eenmaal zie rollen, schreeuw ik op de steile tribunes de longen uit mijn lijf en laat ik me gedwee optillen door mijn buurman die drie maanden gezeten heeft voor de slag bij Beverwijk. Het is mijn voetbalparadox: ik kan de sport vakkundig negeren, maar verlies mezelf zodra ik 22 man om de bal zie strijden. Zoals tijdens het EK 2007 voor spelers onder de 21. Ik begon dat toernooi te volgen rond de tachtigste minuut van de halve finale en kreeg daardoor voor het eerst ruzie met mijn vriendin. Het sloeg volgens haar nergens op om kermend op de grond te kijken naar de strafschoppenserie. Onbegrijpelijk, want ik vond dat het enige gepaste gedrag op dat moment.

Dus al zet je me vandaag op de bank naast de koningin, ik kan een oerkreet niet onderdrukken als Sneijder op de lat schiet. Gelukkig begeef ik me tijdens de wedstrijd tegen Uruguay onder een voor de gelegenheid meer gepast gezelschap. Ik kijk met mijn vrienden in Studio K; een Amsterdamse arthousebioscoop die tijdens wedstrijden van Oranje in een chaotische voetbaltempel verandert. Toen Nederland tegen Brazilië de voorsprong nam, werd ik drie stoelenrijen omhoog getild. Dat idee.

De intensiteit waarmee ik vrijdag de wedstrijd beleefde, verbleekte echter bij de doodsangst die sommige van mijn vrienden doormaakten. Met gespannen kaken zaten ze in hun bioscoopstoel. Het zijn van die types die je uitlachen omdat je vergeten bent dat André Ooijer in 1999 tijdens een vriendschappelijke wedstrijd tegen Brazilië in de 83ste minuut rood pakte.

Door het gedrag van die voetbalfundamentalisten verander ik in no-time in een gefrustreerde voetbalcynicus. Dan begrijp ik mijn vriendin en maak ik het liefst gehakt van voetbalsprookjes. Neem nu bijvoorbeeld voetbalfabel nummer één: ‘de verbroederende werking van Oranje op de samenleving’. Zolang Nederland in het toernooi is, vindt iedereen elkaar lief – zeggen amateursociologen. Hoe zich dat uit? Schouder aan schouder bij de caissière om beesies bedelen. Of op straat heel hard Holland naar elkaar schreeuwen, ook al kén je elkaar niet eens. Geweldig toch? En als mijn vlaggetjeslint aan jouw gevel bevestigd mag, kan jij mijn regenpijp gebruiken. Gooi je per ongeluk een biertje over m’n broek heen? Man, ik lach erom, we zijn toch allemaal voor Oranje? Ik dans bij een doelpunt de polonaise met je alsof ik je al jaren ken. Maar als je in m’n beeld gaat zitten, sla ik je kop eraf.