Hoe stop je meer vetzuur in voeding?

Unilever wil meer gezonde vetzuren in voeding stoppen.

Maar dat kan niet zomaar. Want dan neemt ook het aantal calorieën toe, zegt onderzoeksleider Gert Meijer.

Het Brits-Nederlandse concern Unilever gaat meer zogeheten essentiële vetzuren in zijn voedingsmiddelen stoppen. Deze vetzuren, die het menselijk lichaam zelf niet of onvoldoende kan aanmaken, verminderen het risico op hart- en vaatziekten.

Het bedrijf wil vooroplopen in de omslag in het denken over gezonde voeding, zegt voedingskundige Gert Meijer, mondiaal verantwoordelijk voor het onderzoek naar gezonde voeding binnen Unilever.

„Het is technologisch geen makkelijke opgave meer onverzadigde vetzuren in producten te stoppen zonder dat het consequenties heeft voor de smaak. Als je bijvoorbeeld verzadigd vet uit het product haalt, verandert de structuur en wordt het product minder lang houdbaar. Door een voorsprong in deze technologie kunnen wij voordeel halen.”

Deskundigen van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldlandbouworganisatie hebben voor het eerst sinds 2003 gekeken naar de aanbevelingen voor essentiële vetzuren, zegt Meijer. „Op basis van hun bevindingen gaan de aanbevelingen voor de geadviseerde dagelijkse hoeveelheden waarschijnlijk omhoog.”

Het gaat om de stoffen omega-3 (alfa-linoleenzuur), dat in hoge concentraties voorkomt in lijnzaadolie, omega-6 (linolzuur; hoge gehaltes in zonnebloemolie) en de vetzuren DHA en EPA, die veel voorkomen in vette vis. Hoewel het menselijk lichaam in staat is DHA en EPA te maken uit alfa-linoleenzuur, is die omzetting niet erg efficiënt. Daarom heeft DHA toch de status van essentieel vetzuur gekregen.

Unilever heeft altijd vooropgelopen bij het verwerken van deze gezondheidsbevorderende ingrediënten. Linolzuur zit al sinds de jaren zestig in Becel. Acht jaar geleden kwam daar alfa-linoleenzuur bij, en drie jaar terug kwam Unilever met Becel Omega 3 Plus, waarin ook de visvetzuren zijn verwerkt.

Nu is het tijd voor een nieuwe stap?

„Ja, traditioneel keken voedingskundigen altijd naar minimale hoeveelheden van een bepaalde stof die in de dagelijkse voeding zouden moeten zitten om geen lichamelijke klachten te krijgen. Maar inmiddels is dat denken aan het verschuiven naar het optimaliseren van de gezondheid.”

Unilever voegt ook de vitamines A en D toe aan margarines, gaan die hoeveelheden ook omhoog?

„Mogelijk. Met name de wetenschappelijke opinie over vitamine D verschuift. Volgens de nieuwste inzichten heeft deze een bredere rol dan alleen voorkomen van broze botten. Ze versterkt bijvoorbeeld het immuunsysteem.”

Het Voedingscentrum zegt dat iedereen bij een gevarieerd dieet voldoende essentiële voedingsstoffen binnenkrijgt. Wat is de meerwaarde van deze Unilever-producten?

„Als de aanbeveling voor een aantal voedingsstoffen omhooggaat, moet je oppassen met de energie-inname. Het is geen marketingtruc. Als je voldoende essentiële vetzuren wilt binnenkrijgen dan zou je heel veel vis of heel veel noten moeten eten. Dan kom je al gauw ruimschoots boven het aantal calorieën dat je per dag nodig hebt. Als we meer essentiële vetzuren in onze producten stoppen, dan moeten er andere ingrediënten uit. Want goede vetzuren leveren ook een bijdrage aan de energie-inhoud en anders zouden onze producten te calorierijk worden. We willen het ten koste laten gaan van verzadigde vetten en suikers.”

Gaat het dan om een product als margarine?

„Dat zou kunnen. Producten zoals margarine, mayonaise en dressings zijn uitermate geschikt voor het dragen van essentiële vetten. We kijken naar producten die regelmatig gegeten worden, zodat consumenten zonder hun gewoontes te veranderen toch gezond kunnen eten. Want als er iets moeilijk is, hebben wij als voedingsbedrijf geleerd, dan is dat consumenten ertoe aanzetten hun voedingspatroon aan te passen.”

Wanneer komen deze producten op de markt?

„Ik verwacht dat de consultatieprocedures en de consensus nog dit jaar uitkomen. Ondertussen zijn wij natuurlijk al aan het kijken wat er mogelijk is, zodat we straks snel op de markt kunnen komen. We willen nog even afwachten waar de Wereldgezondheidsorganisatie precies mee komt.”