Het wordt nog druk in de centrale bunkers

Een centrale bank die ook toezicht houdt op de banken lijkt ideaal. Maar wat als het toezicht zo even onaantastbaar wordt als het monetaire beleid zelf?

Het volksgericht voor De Nederlandsche Bank was vorige week in volle gang, en in augustus gaat het door. Dan moet de centrale bank met een plan komen voor een ‘cultuuromslag’ die moet garanderen dat de toezichthouder op de banken voortaan geen steken meer laat vallen bij het uitoefenen van zijn taak. De centrale bank heeft het moeilijk. Eerst werd ABN Amro uiteengescheurd, daarna kwam de Icesave-kwestie en toen volgde DSB. Dat het hoofd van topman Wellink werd geëist is een gangbare reflex.

Los van de schuldvraag, raakt de DSB-geschiedenis aan iets zeer fundamenteels. Stel dat het gerechtvaardigd is om de topman van de centrale bank weg te sturen omdat het toezicht heeft gefaald. Omdat De Nederlandsche Bank ook verantwoordelijk is voor het monetaire beleid, wordt dan ook de topman van het monetaire beleid ontslagen.

Dit staat bekend als de ‘nucleaire optie’. Centrale banken zijn zeer onafhankelijk gemaakt, omdat in het verleden besloten is dat het geldbeleid beter niet in politieke handen kan zijn. Politieke inmenging is uit den boze. Bovendien zijn de tijden op de financiële markten in Europa uiterst onzeker. Nederland kan maar beter niet opvallen met het ontslag van zijn centralebankier.

Hier openbaart zich een probleem. Centrale banken die ook het bankentoezicht uitvoeren, hebben dat toezicht in het domein van hun onaantastbaarheid getrokken – een onaantastbaarheid die wél hoort bij het monetaire beleid, maar niet vanzelfsprekend bij het toezicht. Niet dat dit laatste geen afgeschermde status verdient. Er zijn meer instituten die zich buiten het domein van directe politieke bevinden, van de Algemene Rekenkamer en het Centraal Bureau voor de Statistiek tot die andere toezichthouder, de Autoriteit Financiële Markten. Maar zo onaanraakbaar als De Nederlandsche Bank zijn zij niet.

Hoe ongelooflijk dit ook klinkt: er is in de eurozone niet eens overeenstemming over hoe het toezicht nationaal geregeld is. De bijgaande tabel laat zien dat het in vrijwel elk land weer anders is. En er is ook beweging. In Duitsland, het belangrijkste lid van de muntunie, is op dit moment een strijd aan de gang over wie het zwaartepunt van het toezicht op de banken naar zich toe trekt. Acht jaar geleden werd daar een algemene toezichthouder in het leven geroepen, de BaFin. De centrale bank, de Bundesbank, doet het allemaal liever zelf. Axel Weber, de topman van de Bundesbank, maakt zich daar publiekelijk sterk voor.

Nu kunnen centrale banken in principe het toezicht het beste uitoefenen. Zij hebben het meeste contact met banken, weten van de dagelijkse praktijken op de financiële markten en zijn zo in staat goed bij de banksector naar binnen te kijken. Maar er is ook een lans te breken voor meer democratisch toezicht op het toezicht. Er is tenslotte, als het fout gaat, vaak publiek geld mee gemoeid.

Daar komt nog bij dat tot een jaar of vier, vijf, geleden centralebankiers een onaantastbare publieke status hadden. Zij stonden te boek als een gilde van goedwillende en bekwame technocraten, die er samen wereldwijd voor hadden gezorgd dat de inflatie uit de jaren zeventig was getemd. Alan Greenspan, de centralebankier van de VS had een haast mythische status.

Een kredietcrisis later blijkt dat zij het niet altijd bij het rechte eind hebben, en niet de alwetendheid bezitten die hun voorheen werd toegedicht. En van de broederschap is ook niet veel meer over: er zijn, toen het er op aankwam, te veel onderlinge twisten geweest om dat verhaal overeind te houden. Denk, in het geval van Nederland, aan België (Fortis), Italië (AntonVeneta) en IJsland (Icesave). Allemaal toezichtskwesties, overigens. Maar zelfs bij het monetaire beleid is er nu openlijke strijd tussen president Trichet van de Europese Centrale Bank (ECB) en (alweer) Axel Weber van de Bundesbank over de koers.

Centralebankiers zijn hun aura van vroeger dus wel een beetje kwijt. De ECB zelf maakt er intussen geen geheim van het bankentoezicht bij de centrale banken, en dus uiteindelijk bij zichzelf, te willen concentreren. Maar de vraag blijft of het toezicht op de banken de zelfde beschermde status verdient als het voeren van het monetaire beleid zelf.

De Europese Commissie is intussen druk bezig met het in de steigers zetten van drie nieuwe coördinerende toezichthouders op de banken, verzekeraars en financiële markten. Beter kan zij zich ook richten op het uniformeren van van de toezichtspraktijk in de lidstaten zelf. De fundering dus. Maar Brussel begint wel vaker het liefst met het bouwen van het dak.

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel.