Een stadionverbod voor wildplassers

Vandaag stemt de Eerste Kamer over de Voetbalwet.

De wet, die hooliganisme moet bestrijden, is extreem en onverantwoord.

Illustratie Hajo
Illustratie Hajo

Afgelopen dinsdag verdedigde demissionair minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) de Voetbalwet in de Eerste Kamer. Hij conformeerde zich aan een nieuwe, tamelijk revolutionaire uitleg. Daardoor heeft de wet een gedaantewisseling ondergaan. Nauwkeuriger: ze is verworden tot een huiveringwekkend gedrocht. Het is nuttig de gevaren op een rij te zetten, want vandaag bepalen de senatoren of de wet er komt.

Volgens de Voetbalwet kan de burgemeester een hooligan een stadionverbod opleggen als wordt voldaan aan twee eisen. Eén: de supporter moet herhaaldelijk de orde hebben verstoord. Twee: er moet ernstige vrees bestaan voor verdere verstoring van de openbare orde.

Tot nu toe was volstrekt helder dat de burgemeester incidenten in verschillende steden niet bij elkaar mag optellen. Daarin is nu verandering gekomen. Stel, er is vastgesteld dat een Ajaxsupporter in Groningen heeft staan wildplassen. Hij doet dat weken later of in een volgend seizoen – de wet stelt geen termijn – in bijvoorbeeld Utrecht opnieuw, dan kan de burgemeester van die stad hem een stadionverbod voor de Utrechtse Galgenwaard opleggen voor de duur van drie maanden.

Een stadionverbod voor de Galgenwaard haalt natuurlijk weinig uit, want de Ajaxsupporter komt er pas het volgend voetbalseizoen terug. De nieuwe interpretatie van de wet biedt echter uitkomst. Voor het opleggen van een volgend stadionverbod aan deze Ajaxsupporter volstaat dat een burgemeester van een andere stad ‘ernstige vrees’ heeft voor verdere verstoring van de openbare orde. De ernstige vrees valt gemakkelijk te construeren uit de twee eerdere wildplasverstoringen van de openbare orde en bijvoorbeeld de reputatie van de harde kern van Ajaxsupporters waartoe deze man behoort.

Voor de burgemeesters van alle andere steden, van Groningen tot Eindhoven, geldt vervolgens hetzelfde: de wet stelt geen enkele limiet of beperking aan het aantal stadionverboden. Kortom, het landelijke stadionverbod is er toch gekomen. En bovendien voor onbepaalde tijd. De rechtsbescherming is ook efficiënt geregeld: de supporter moet tegen elk besluit van de verschillende burgemeesters in bezwaar en beroep – misschien dus wel in een stad of vier, vijf. Of achttien.

Het stadionverbod kan steeds geflankeerd worden door een meldingsplicht zodat de Ajaxsupporter zich tot in lengte van dagen elke zondag op een Amsterdams politiebureau moet vervoegen – de wet stelt alweer geen beperking of limiet. De ene week dankzij een bevel van zijn eigen burgemeester, de andere week door een besluit van de burgemeester in de stad waar Ajax zijn uitwedstrijd speelt.

Dankzij de nieuwe uitleg van de wet is het zelfs mogelijk een bezoek aan een buitenlandse wedstrijd te verhinderen. Als de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb supporters wil beletten naar het Franse Nancy af te reizen, vaardigt hij voor hen een meldingsplicht uit voor op de wedstrijddag. De plicht zich te melden op een politiebureau kan namelijk ook zelfstandig worden opgelegd; zonder stadionverbod of andere maatregel. Er dient slechts te worden voldaan aan de twee voorwaarden: twee keer de openbare orde hebben verstoord en ernstige vrees voor een nieuwe verstoring waar dan ook. De reputatie van Feyenoordfans in het buitenland maakt het construeren van die ernstige vrees niet bepaald moeilijk.

De effecten van deze nieuwe interpretatie zijn extreem en rigoureus en daarmee onverantwoord, zelfs in het geval van voetbalvandalen. Ook is het van belang te bedenken dat deze wet niet slechts van toepassing is op hooligans, maar op iedereen die de orde verstoort. De burgemeester kan op grond van de wet ook aan degene die in strijd met de regelgeving twee keer zijn hond onaangelijnd uitlaat een gebiedsontzegging opleggen. ‘Zo’n vaart zal het niet lopen’, is de teneur van ambtenaren betrokken bij de totstandkoming van de Voetbalwet. Uit ervaring weten we echter dat het tij heel snel kan keren: het openbare orderecht kent meer voorbeelden van het vrijelijk gebruik van een ogenschijnlijk onschuldige bevoegdheid. De sluitingsbevoegdheid van drugs- en dealpanden is slechts één voorbeeld.

Het is daarom vast goed te weten dat ieder strafbaar feit dat inbreuk maakt op de orde in het openbaar, zoals het zonder vergunning openbaar musiceren, een verstoring van de openbare orde oplevert. Dit gegeven verschaft een burgemeester bijna onbegrensde bevoegdheid.

Voetbalvandalisme is een groot probleem, maar ook hooligans hebben recht op een wet die voldoet aan alle zorgvuldigheidseisen.

Jan Brouwer is hoogleraar algemene rechtswetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen. Jon Schilder is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.