Bij de Eiger

Het zien van de Duitse speelfilm Nordwand is niet de beste manier om je hoogtevrees te overwinnen. Toch ging ik erheen, op advies van Arnon Grunberg, die in zijn column in de Volkskrant schreef dat de film veel indruk op hem had gemaakt.

Ik kreeg geen spijt. De film gaat over topsport (bergbeklimmen) en de waarde daarvan voor staat en media op het gebied van propaganda en commercie. Vier klimmers in dit ‘waargebeurde verhaal’, twee Duitsers contra twee Oostenrijkers, proberen in 1936 de levensgevaarlijke Nordwand van de Zwitserse Eiger te bedwingen. Op de achtergrond dreunen de nazilaarzen steeds luider.

In het laatste halfuur voelde ik de hand van mijn vrouw soms op mijn bovenbeen. Er was geen erotische opzet, het was puur de spanning. De Nordwand was een Mordwand geworden en de vier klimmers voerden met de woedende natuur een gevecht op leven en dood. Hoe heeft regisseur Philipp Stölzl dit zó levensecht in scène kunnen zetten? Er waren momenten dat ik mezelf als machteloze ijspegel in doodsnood boven duizelingwekkende kloven zag hangen.

Toen ik thuiskwam, stond Angela Merkel op de tv haar Duitse elftal in de kwartfinale van het WK toe te juichen. De staat is nog altijd dol op topsport. Naast haar wist president Zuma van Zuid-Afrika zich geen raad met zijn houding. Hij wilde best mee juichen, maar dan kreeg hij misschien last met het land van de tegenstander. Dus bleef hij maar zo lang mogelijk zitten.

Maar hoe moest het nu verder met mijn hoogtevrees? Daar kwam ik na deze film helemáál nooit meer vanaf. Hadden we trouwens zelf met het gezin ook niet ooit een tochtje naar de Eiger gemaakt – zij het zonder klimijzers? Ik dook in die goeie ouwe vakantiefotoalbums waar we het nageslacht mee denken te verblijden. We bleken ook nog een schriftje met een dagboek van mijn toen 11-jarige dochter Carly te hebben bewaard.

Op 1 augustus 1987 schrijft ze: „Vandaag zijn we naar de Kleine Scheidegg gegaan, want het was heel helder. Bij het restaurant hebben we gezeten en wat gedronken. Toen zijn we gaan lopen. Wat ons opviel was dat er heel wat Japanners waren op de Kleine Scheidegg, die verschrikkelijk grote fototoestellen hadden.”

Geen woord over de Eiger waar ik toen, bevend van ontzag, naar moet hebben opgekeken. Kinderen hebben andere obsessies. „Wij gingen op een terras zitten. Daar moest ik 40 minuten wachten op papa en op de braadworst die iedereen nam. Toen papa terugkwam had papa ook zin in een braadworst dus namen wij er een.”

Mijn grootste nederlaag had ik toen al geleden. Bij de Kleine Scheidegg, een bergpas, kon je met een echt treintje komen, dus daar kreeg de hoogtevrees geen vat op me. Maar enkele dagen daarvoor hadden we bij Grindelwald in een glazen cabine via een kabelbaan een of andere berg bestegen. Halverwege de helling werd de gapende leegte onder ons mij te veel en besloot ik met de hele équipe bij een tussenstation te capituleren.

’s Avonds noteerde mijn dochter in haar sobere proza: „In het middenstation gingen we er uit want papa vond het niet zo fijn. Toen moesten we naar beneden lopen. Mama heeft 10 keer gezegd dat het uitzicht zo mooi was, maar voor Sandy en ik leek het net of je stil stond want het bleef steeds hetzelfde. De wandeling duurde 2 uur.”

Het is mij nog lang nagedragen.