Moeder vegeteert op bitterheid en drank

Cover van het boek Rode hond, Rode hond van Patrick Lane
Cover van het boek Rode hond, Rode hond van Patrick Lane

Patrick Lane: Rode hond, Rode hond. Vert. Laura van Campenhout. Signatuur, 254 blz. €19.95 ****

Soms begint een boek zo weinig overtuigend dat het al snel weer onderaan de stapel terechtkomt waar een recensent zich mee geconfronteerd ziet. Soms klimt het ooit weer wat op in die stapel, maar even zo vaak is een negeren het trieste lot van het boek. Bij Rode hond, Rode hond, de debuutroman van de Canadese dichter Patrick Lane, was dat laatste bijna het geval geweest, maar een late herkansing kan alsnog enig recht doen aan dit beslist waardevolle werk.

Wat mij in dat begin zo tegenstond is de wat zwakke kunstgreep een baby vanuit het graf het verhaal te laten vertellen van de rampzalige familie waarvan zij ‘zes lange maanden’ deel uitmaakte. Zij zal dat gedurende het boek nog enkele malen doen maar dan beheersen de dwingende kracht van Lane’s proza en de gruwelijke opeenstapeling van gebeurtenissen de roman al zozeer dat het niet meer dan een wat hinderlijke dissonant is geworden.

Lane, die met dit boek op 69-jarige leeftijd debuteerde, beschrijft hier de lotgevallen van de familie Stark in de heuvels van Brits Columbia, een zich over diverse generaties uitstrekkende saga van geweld, moord, zelfmoord, kinderverwaarlozing, drugsverslaving, alcoholisme en nog zo het een en ander. It runs in the family, zouden de omwonenden kunnen samenvatten, en als deze destructieve trekken al niet erfelijk zijn, dan zijn ze op zijn minst besmettelijk, zo lijkt de auteur te suggereren met zijn verwijzing naar de ziekte uit de titel.

De gebeurtenissen concentreren zich rond een fataal uit de hand lopend feest in 1958, maar Lane waaiert met zijn verhaal uit over meer generaties van de familie Stark. In dat heden van de jaren vijftig figureren de beide zoons van het allang niet meer complete gezin. Eddy is de oudste, levend aan de rand van de toch al behoorlijk normloze gemeenschap, zijn geweten afgestompt door een heroïneverslaving waarin hij zijn piepjonge vriendinnetje Sally Ann probeert mee te sleuren. ‘Hij had lang geleden van zijn vader geleerd dat hij afstamde van mensen die niet tussen anderen konden leven en alles wat niet van hen was als buit beschouwden; andermans spullen waren er om af te pakken.’

En dan is er Tom, de jongste broer, een dromerige eenling, in wie Lane de schaarse sprankjes hoop en soelaas die het boek kent investeert. Toms vriendinnetje Marilyn moet niets van mannen hebben, maar hoopt met Tom een bestaan op te bouwen op de armzalige boerderij waar de moeder van de beide broers dronken en verbitterd vegeteert. Ze koestert dat restje hoop in het volle besef dat de grond waar ze wonen ‘nooit ontgonnen had mogen worden’.

Lane maakt het zijn lezer niet makkelijk, vooral daar waar die zelf de chronologie van deze zwartgallige saga moet zien te construeren. Hij schrijft bitter, grimmig en impressionistisch, maar dikwijls met de sterke, soms bijna angstaanjagende kracht van een dichter die de materie waarover hij het heeft van nabij lijkt te kennen. Met al zijn wreedheid en fatalistisch determinisme is Rode hond, Rode hond, mede door de opvallend goede vertaling, een roman die niet onopgemerkt zou mogen blijven.

Jan Donkers